Category Archives: Overpeinzingen

Steep learning curve @JeneverCross

De Jenevercross op de Kesselse Heide luidt het begin in van een steile leercurve. Voor 2017. Wat valt er een hoop te verbeteren aan mijn oriëntatievaardigheden! Met de kennis zit het prima, maar het in de praktijk brengen daarvan, da’s nog een dingetje.

Klinkt makkelijker dan gezegd:

  1. langzamer lopen waar nodig (in plaats van vol gas de verkeerde kant op),
  2. wat vaker op mijn kompas kijken (in het donker; ook bij een bevroren duim),
  3. plan maken voor het volgende been (voordat ik het ontbrekende plan uitvoer),
  4. aanvalspunten, aanvalspunten, aanvalspunten.

“Gewoon doen” zou het devies zijn, vanaf de zijlijn. En dat is ook wel zo, maar er is iets wat me er van weerhoudt. Of liever gezegd: ik heb sterk de neiging me vol overgave op iets anders te werpen: snelheid. Na een foutje zegt mijn hele lichaam: inhalen, die verloren tijd!

En vanaf dat moment zijn de bovenstaande regeltjes low-priority. Eerst maar eens heel hard naar die post lopen, en dan ga ik zorgen dat ik met terugwerkende kracht ook daadwerkelijk op de juiste plaats ben. Best raar eigenlijk.

Neem nou post 2. Ik vond mezelf wat traag op weg naar 1 (terwijl ik de vierde tijd had vanaf de start naar 1 volgens de splits). Dus ging ik meteen na 1 gestempeld te hebben de kant op die ik had onthouden voor 2 na een snelle blik op de kaart. De richting klopte (ik weet altijd al voor ik bij een post kom welke richting de volgende op is) maar ik had beter het paadje kunnen volgen in plaats van er 15 meter naast te lopen door de struiken. Kortom, ik overtrad regel 3: geen plan, wel rennen.

Naar post 3 was op zich goed, maar ik verprutste het bij de post. Ik liep er redelijk direct naartoe, maar verwachtte nummer 203 want de hele route had opeenvolgende controlenummers, van 201 t/m 225, behalve de derde post, die niet 203 was en ook niet 230, maar eentje minder dan dat (als strafpunt voor de verwisseling van de cijfers) en dus 229 had gekregen. (Een vaag verhaal, maar dat was het ezelsbruggetje dat ik onderweg naar de start had besproken met Ralph, die voor het gemak zijn hele postomschrijvingstrook was vergeten mee te nemen. Ik had het nummer goed onthouden, maar dacht er even niet aan toen ik naar post 3 zocht, en toen ik 229 tegenkwam besloot ik dat ik de verkeerde post had gevonden. Aiaiaiai.)

Ondanks dat het niet zo slecht liep over de bevroren heide was het toch een stuk sneller om over paadjes te lopen. In potentie had ik een een stuk kortere route kunnen lopen als ik 4 direct gevonden had, maar ik miste hem, en was uiteindelijk evenveel, zo’n 310 meter, onderweg, ten opzichte van de route over de paadjes. Maar dan was ik wel een stuk sneller geweest. Kortom: ook weer door de haast regel 3 overtreden, en dat kreeg ik dubbel en dwars terug. Maar ik had me ook niet aan regel 1 en 2 gehouden: toen het er op aankwam keek ik niet goed op mijn kompas, en week te ver naar het westen af, waardoor ik de post miste. Wellicht hadden hoogtelijntjes me kunnen helpen, en in elk geval had ik beter de weg als stoplijn kunnen kiezen, door bewust meer naar het oosten afwijken, in plaats van per ongeluk naar het zuiden.

Op dat moment kwam wel de bezinning, en besloot ik beter bewust te oriënteren. Ik lag toen al op een 17e plaats (zonder het te weten, maar wel te vermoeden).

Naar post 5 volgde ik veel paden, met een goed aanvalspunt, en naar 6 liep ik nauwkeurig op kompaskoers. Maar bij 7 ging het weer enigszins fout. Juiste richting, tot ik er bijna was. Toen vergat ik mijn kompas, raakte van de koers, zag een weg lopen maar kon op afstand niet goed de richting er van zien, en herkende meerder plekken in het bos als open plek. Lastig punt ook. Regel 4 vergeten. Puur op kompas door het donker is geen garantie om de juiste koers te volgen. Dan moet je een plan hebben. Had ik niet.

Ik heb maar eens opgeteld waarmee ik hoeveel tijd ben verloren. De genoemde regels hebben natuurlijk wat overlap, maar de uitkomst is toch wel opvallend:

  • regel 2: De meeste tijd ben ik kwijtgeraakt door niet goed op mijn kompas te kijken: bijna 4 minuten. Nou heeft dat ook te maken met een ontbrekend back-up plan, want een beetje afwijking mag niet tot het missen van de post leiden, wat je zeker kan stellen door het kiezen van goede stoplijnen en meerdere tussen-aanvalspunten in te bouwen.
  • regel 3: Het niet maken van een plan en gewoon gaan lopen kostte bijna 2 minuten. Soms kan je prima onderweg het plan vormen, want als ik bij elke post 4 seconde verlies omdat ik mijn route bepaal kost dat ook 2 minuten bij 30 posten, maar misschien had ik dan ook de kompas-fouten niet gemaakt.
  • regel 1: Dan komt het ‘de tijd nemen’ bij de post: ook bijna 2 minuten, met name aan post 3 waar ik me in het controlenummer vergiste, en 4 en 12 waar ik vlak bij de post de mist in ging door niet de tijd te nemen.
  • regel 4: En ten slotte verloor ik nog bijna 1,5 minuut door geen goed aanvalspunt te hebben. Met name bij posten 4 en 7. Denkend: “ik zie hem wel staan als ik er ben” werkt soms wel in het donker, maar is soms ook een groot risico.

Het lastige is natuurlijk dat je wel eindeloos kan gaan lopen muggenziften bij elke van de 30 benen van zo’n route, maar als dat telkens 5 seconden kost, ben je al 2½ minuut verder. En of ik daar 7½ minder mee verlies is natuurlijk nog maar de vraag. Het gaat er dus niet om om elk been deze verzekeringspremie te betalen, maar om in een oogwenk te bepalen wanneer het wel loont en wanneer niet. Stukje ervaring, en stukje routine: een snelle blik op de kaart, om te bepalen of een snelle blik voldoende is, of dat ik beter 10 seconden kan uittrekken om een listig plan te smeden. En onderweg nog een paar tripple-checks of ik met niet van de kaart heb laten brengen… Want vaak pakt het genomen risico toch wel goed uit en loop ik strak op de post of.

Maar het is wel opvallend dat ik de meeste tijd had kunnen winnen door vaker en/of beter op mijn kompas te kijken, terwijl dat iets is wat toch nauwelijks extra tijd kost onderweg. Ware het niet dat mijn duim er halverwege bijna af was gevroren door een combinatie van koude en een te strak elastiek van mijn duim-kompas, zodat ik het ding maar om een andere vinger droeg, en hij daarmee -onzichtbaar- onder in plaats van boven op mijn kaart zat. Daar moet ik toch maar iets slims voor verzinnen de volgende keer, met een pols-kompas of zo bij extreem koud weer.

Anyway, terug naar de kaarten, want daarom lezen jullie dit artikeltje, toch? We gaan naar 11. Daar heb ik last van zinsbegoocheling. Richtingszin, wel te verstaan. De familie Pouppez-de-Kettenis had een doortrapt plan in de jaren ’20 van de vorige eeuw, en trok het lijnen-raster dat de paden vastlegde scheef ten opzichte van het noorden. Om mij een eeuw later van de wijs te brengen. En het is ze nog gelukt ook. Een snelle blik op de kaart (zo een die leert dat dit een makkelijk been is en ik gewoon hard moet lopen tot aan een pad op de rand van bos en hei) was genoeg om het gevoel te geven dat ik zo’n 45° graden aan moest houden. Één hersencel vond dat dat ten opzichte van de paden was (die ik vanaf post 10 helemaal niet kon zien, natuurlijk), maar twee andere cellen dachten dat ik ten opzichte van het noorden bedoelde. Dus liep ik koers 315° tot ik een ‘lijn’ zag en corrigeerde nog wat meer naar het noorden, tot ik 45° met het pad maakte. Volgens plan. In werkelijkheid pal de verkeerde kant op. Want het was een ander pad. Ze noemen het ook wel de klassiek 90° fout. Verwarring, desoriëntatie, en onbehagen. De naald van mijn kompas leek wel vastgeplakt terwijl ik mijn lichaam in de richting die de kaart aangaf draaide. Beginnersfoutje. Dat ik even later een eiland op liep (nota bene het enige in de wijde omgeving) en er over de dezelfde route weer af moest is me vergeven.

Er volgden een paar strakke benen, recht op de post af, paden gevolgd waar dat het beste was, en posten gevonden vanaf het voorziene aanvalspunt. Ik kan het dus wel! Wellicht daardoor was ik overmoedig bij het been van 15 naar 16. Of maakte ik weer de eerdere kompasfout, met mijn 45° declinatie? Moest noornoordwest, liep noordnoordoost, en kwam op een pad. Maar een ander pad dan ik dacht. Liep tot aan een kruispunt met een bos. ¼ bos en ¾ hei, volgens de kaart. En warempel, in het echt, in het donker, zag het er ook zo uit. Kijk maar eens goed naar de kaart . Ik heb het stukje hier onder uitvergroot. Het hoekje waar ik uitkwam (rechts, met het rode bolletje) is nèt een tikkeltje asymmetrisch, en oogt in het donker, als je met een half oog om je heen kijkt en met 1½ naar de kaart, net als het hoekje linksonder in het plaatje, als het zicht beperkt is in het schijnsel van een hoofdlampje. Dus ik dacht dat ik op het westelijke kruispunt liep terwijl ik op het oostelijke stond. Doorsteken, pal noord, tot de open plek. Hé, die is iets kleiner dan gedacht. Nou ja, bos groeit ook in het donker door, toch? Ik kom zo dadelijk op een pad. Ja, inderdaad! Nu een stukje pad volgen naar het oosten, tot er een zijpad komt, en dan in het verlengde daarvan naar de open plek. Simpel. Open plek? Ja, daar! Weer kleiner dan verwacht, maar dat was die vorige ook. Het zal wel een oude kaart zijn. Maar waar ben ik? Dat zijpad was er niet, dus waarom zou de open plek dan wel kloppen? Twijfel overheerst. Een pad! Ik ben te ver. Pad volgen, oost of west? Ik gok west. Bij de splitsing van het pad -tenslotte- weet ik waar ik ben, besef ik mijn fout, en kan ik er niets anders meer aan doen, dan deze fout niet nog eens maken.

Maar ik ben er bijna. Niet bij de finish, maar bij de kaartwissel: het grote moment dat ik mijn kaart om mag keren, en met een schone lei op de achterkant kan beginnen. Maar nog ééntje dan, op deze kant, naar post 18. Op zich geen fouten, alleen lag het noorden weer 45° gedraaid, en keek ik niet vaak genoeg op mijn kompas om het te merken. Als het me 15 seconden heeft gekost is het veel, maar toch zonde van de inspanning.

De direct volgende posten gingen allemaal prima. Geen fouten, geen tijd verloren. Kijk maar op de kaart.

Tot ik van 23 naar 24 ging lopen. Het plan was pal oost te vertrekken, tot bij de paadjes, dan over de open plek, rechts aanhouden, doorsteken naar het pad, en bij de splitsing rechts, schuin het bos in naar de post. Tot zo ver niks mis: ik had een plan!

Ik zag een pad, stak over, nog een pad, en daar achter een open plek. Niet heel open, maar ja, dat was die oude kaart waar ik het al eerder over had. Maar de open plek had niet echt een rechter kant waar ik door kon, en ineens zag ik een watertje. Warempel, ik zat compleet verkeerd. Toen toch maar eens rustig naar mijn kompas gekeken. Handig dingetje, af en toe. Had ik er eerder op gekeken, dan had ik post 24 ruim een minuut eerder op mijn naam kunnen zetten.

Post 25 was een eitje, en misschien wel mede daar door, en omdat ik er bijna was, sloeg ik het maken van het plan voor 26 over, en rende weliswaar aanvankelijk de goede kant op, maar vergat het aanvalspunt te kiezen. Meerdere routes, zowel die meer noordelijk, als die meer zuidelijk, waren beter geweest, want zekerder. Alsof iemand die paarse lijn op de kaart met een kwast op de hei zou hebben geschilderd, ging ik recht op het doel af, en miste dat faliekant omdat ik eigenlijk niet wist wat ik aan het doen was. Dat kostte me 25 seconden.

Dat ik vervolgens toch nog de allersnelste tijd vanaf 26 naar de finish neerzette is een doekje tegen het bloeden.

Maar de lezer -u dus- moet nu niet denken dat het niet leuk was, om te Jenvercrossen. Vier jaar geleden, in het zelfde gebied, op dezelfde kaart was ik ook al een beetje draaierig en af en toe de koers kwijt. En over weer een jaar of vier lees ik dit stukje van mezelf en verschijn lachend aan de start. Want drie maal is scheepsrecht…

Intussen namen we er nog ééntje, praatten over wat dit voor mooi jaar zou gaan zijn, hoeveel béter wij nog konden worden, en wisselden verheugenissen uit op volgende week: de W.O.R. 2017.

Gepruts in Son

Ik kan de schuld niet aan de kaart geven want die was voor iedereen het zelfde. Het weer dan? Ik liep nog droog, terwijl lopers vóór mijn door hoosbuien en onweer moesten. En iedereen (die omloop 1 deed) had dezelfde route. Nee, het gepruts was volledig mijnerzijds.

Welk gepruts? Geen foute of vergeten posten dit keer. Maar onverantwoord oriënteren. Ik probeerde op hoogtelijnen te lopen, maar tussen al het gebladerte waardoor het gezichtsveld bij een meter of tien ophield, waren die moeilijk te zien. Toch lagen de meeste posten zo dat dat de enige optie was. Meer over paden lopen was gezien de route ook niet veel gunstiger. Of veiliger. Nee, het was een uiterst pittige baan op een redelijk pittige kaart in een bos dat in een extreem pittige toestand verkeerde.

Maar een lichtpuntje: mijn enkel heeft het gehouden. Misschien dank zij mijn nieuwe VJ Integrator High’s, een paar schoenen met hoge schacht, en een ingenieus scharnier waardoor ze heel normaal lopen, maar toch zijwaartse bewegingen fixeren. En dat was geen overbodige luxe in deze jungle, waarin ik vaak niet kon zien waar ik mijn eigen voeten neerzette, terwijl het vol lag met kreupelhout, losse takken, en stronken. En dan waren de bramen op dit moment van het jaar nog niet op volle sterkte.

Maar goed, ik moet wat verbeteren, want als ik naar de resultaten van de anderen kijk, liep ik zwaar onder gemiddeld. Mijn splits springen als een bezetene op en neer: als ik een stukje goed liep, had ik de 4e á 7e tijd, maar de ander helft van de posten was ik gemiddeld zo’n 20e.

Opvallend is dat ik bij het ophalen van 10 van de posten, in het schemerdonker, veelal direct naar de juiste plek liep. Niet omdat ik er al geweest was, maar omdat ik een beter plan had.

Wat me verder opviel was dat het vaak veel beter werkte om gewoon nauwkeurig een kompas peiling te maken, en de afstand te schatten, dan kenmerken op de kaart terug te zoeken in het landschap, en zo te oriënteren.

Niet zelden interpreteerde ik een verlaging als heuvel, omdat het hoogtestreepje half schuil ging achter de paarse route-lijn op de kaart. Dat moet toch beter, of anders, kunnen; iets waardoor je in één oogopslag ziet wat omhoog is en wat omlaag. Maar ja, ieder had dezelfde kaart, dus ook op dat punt stond ik er niet slechter voor.

Nee, ik moet maar eens goed informeren hoe anderen dit deden: deze loop in dit bos. Wat doe ik fout? Wat het resultaat zint me niet.

Of zou ik gewoon niet uitgeslapen genoeg zijn geweest? En om verzwikkende enkels te voorkomen te veel naar de ondergrond gekeken hebben in plaats van naar de omgeving? Het zou zo maar kunnen.

Missers

Een paar voorbeeldjes van hoe het niet moet:

20160601_Son_01Ik startte iets te snel. Els een olifant die de porseleinkast binnen dendert. Door de dichte struiken miste ik de verhoging met de put waar de post stond, en vond een andere verhoging, iets noordelijker (rechts van 1 op de kaart). Ik corrigeerde door door te lopen naar het pad en te heroriënteren. Maar de trend voor de rest van de race was gezet. Resultaat: het gevoel tijd in te moeten halen, nog sneller lopen, en nog meer fouten. Ik had meteen beter moeten weten: dit wordt een lastige route, en dus uiterste voorzichtig te werkt gaan; zekerheid voor alles.


Van 5 naar 6 ging ook niet helemaal volgens plan. Als aanvalspunt koos ik het bankje links van het pad, liep recht op de post af, maar miste. Lastig om afstand te schatten als je door een jungle van groen ploetert, en zo miste ik de paden die ik als stoplijn had gedacht te gebruiken. Het pad waar ik verderop op terechtkwam voldeed niet aan de verwachtingen, maar ik volgde het toch maar. Veeeel te ver! De T-splitsing (vlak bij de post) bleek een 4-sprong, en dus ging ik heroriënteren. Zo kwam de post weer binnen bereik, maar wel met ruim 4 minuten vertraging.
20160601_Son_36En nu van 35 naar 36: Het begon al met het missen van een splitsing, maar door de vorm en richting van de paden had ik dat snel door. Vervolgens had ik nogal wat moeite met het vinden van de juiste doorgang naar de post. Alle hobbels leken op elkaar. het werd meer een loterij…

Meetshoven Memory

Meetshoven is een flink eind rijden vanaf Eindhoven, maar toen ik zag dat Omega een Eilandmemorisatie organiseerde was de beslissing snel genomen: er heen!

Memorisatie is eigenlijk een basistechniek voor oriëntatielopers, maar in de praktijk vergeet ik het nog wel eens, ironisch genoeg. Eigenlijk gaat het niet eens zo zeer om het memoriseren zelf maar om de achterliggende methode, die ik vaker zou moeten toepassen.

Waar gaat dit over?

Memoriseren is onthouden: je kijkt naar de kaart, en zonder daar nóg eens op te kijken loop je naar het doel, gebruik makend van wat je op de kaart hebt gezien. De truc is het versimpelen van de kaart, waardoor je je juist op de essentiële kenmerken concentreert, die onthoudt, en vervolgens de route afloopt. Zonder op de kaart te kijken, en daaruit haal je dan extra tijdwinst. Hoe? Daar kom ik straks op.

Eilandmemorisatie is een type wedstrijd waarbij de route vast ligt, althans, zo vast als bij een normale oriëntatieloop -dus met een vaste volgorde volgens de postomschrijving- maar waarbij op een paar plaatsen in het terrein, de “eilanden”, en bij de start een vaste kaart geplaatst is, die je niet mee kan nemen. Je moet dus bij de start de route onthouden, maar ook -misschien nog wel belangrijker- de locaties van de kaarten, om op terug te vallen.

20160124_Meetshoven_memorisatie
Deze kaart hing bij de start (driehoek), en op nog 2 plaatsen (vierkantjes). (klik op de kaart om deze in zijn geheel te openen)

Typisch lukt het niet de hele route in 1 keer te onthouden. Dus je gaat slimme combinaties maken van posten, en loopt tussendoor langs een van de kaarten in het veld voor een update. In dit geval waren het maar 11 posten, maar da’s toch net te veel om in een volstrekt nieuw en onbekend stuk bos in één keer te onthouden.

Dus ik koos er voor om drie posten uit mijn hoofd te doen, dan langs de kaart in het midden van de kaart te lopen, en dan de rest in 1 of 2 etappes af te maken.

hoofdrouteIk versimpelde de kaart in mijn hoofd tot ongeveer dit:

Post 1 bijna over paden, grove schatting van het aantal passen, en het laatste stukje doorsteken.

Dan verder pal zuid, pad kruisen, zuidwest tot cultuurgrens: bam!

Doorlopen tot pad, rechtsaf, bij kruising met veel paden het westelijkste pad volgen tot open plek, en dan post 3 in het hoekje van het vrijstaande bos in het midden daar van.

Tenslotte over het pad om een “verboden terrein” (met hek?) heen, tot de verre hoek schuin links achter van het weiland.

Dat ging uitstekend, tot ik vanaf post 3 op zoek ging naar de kaart, maar die niet kon vinden. Na voor mijn gevoel veel te ver te hebben gelopen, ging ik de hoek om naar het oosten, en keek ik nog eens op mijn kompas, maar constateerde verbaasd dat ik niet naar het oosten liep -wat ik dacht te doen- maar naar het zuiden. Inconsistent.

Verdwaald!

Dat is lastig. Als je verdwaald bent en ook nog eens geen kaart hebt. Terug lopen naar het vorige punt zou wel lastig worden, want ik was immers ergens anders dan waar ik dacht dat ik was. Terug naar de start lopen was wel erg sneu, dus keek ik goed om me heen. Overal andere lopers, maar kennelijk allemaal op een andere route, want iedereen die ik zag had zelf een kaart in zijn handen (en liep dus niet deze zelfde memorisatieroute). Even een kaart lenen was uit den boze, want dat is natuurlijk niet volgens het spel.

Wat ik wist was dat de kaart in een zuidoosthoek hing van een weiland. Weilanden genoeg om me heen, en ook meerdere zuidoosthoeken, maar ik wist, of dacht te weten, dat ik te ver naar het westen was gelopen, dus ik moest is oostelijke richting. En warempel! Daar hingen een paar kaarten. Het had me wel 5 minuten gekost, maar ik was gered.

27-01-2016 00-40-55Nou blijkt dat het al eerder was misgegaan, want ik was na post twee de hoek om een pad in gelopen, waarvan ik onthouden had dat het naar het westen moest leiden, maar dat naar het zuiden liep. Vreemd vond ik dat. De fout zat hem er in dat ik in mijn versimpelde kaartbeeld in m’n hoofd het diagonale pad voor het gemak recht had getrokken, en meende dat dat naar het noorden ging, zodat ik de bocht om naar het westen moest. En toen ik op weg naar post 3 het weiland in liep, dacht ik af te slaan naar het zuiden, zodat ik ná 3 verder door naar het zuiden moest op weg naar de kaart. Maar ik liep juist dóór naar het westen. Mijn kompas had me kunnen helpen, maar ook voor meer verwarring kunnen zorgen.

De volgende keer…

… Zou ik beter moeten letten op de richting, koers en kompas. Nou ja, de volgende keer was nu, want er waren nog 8 posten en een tussen-finish te gaan. Meteen mezelf her-kalibreren. Het is een tikje lastiger dan ik dacht.

Een van de dingen die ik miste was overzicht. Ik had, zoals gebruikelijk, bij het bepalen van de route van de start naar post 1 de kaart gedraaid, georiënteerd. Handig voor dat been, maar voor alle volgende benen slaat dat natuurlijk nergens op. Dat is vast voor de helft debet aan mijn 90-graden fouten rond post 3. Bovendien is het draaien van de kaart leuk als je het per been doet, om snel de beste route te vinden, en intuïtiever van koers te veranderen, maar bij memorisatie is dat van ondergeschikt belang. Misschien kan je het wel doen en per been inprenten hoe de vorm van dat deel van de route er uit ziet, en wat je links en rechts laat liggen. Maar als je een fout maakt ben je verloren en mis je al gauw elke referentie.

Probeer dus het geheel te onthouden, de route die je wilt lopen op een kaart met het noorden boven, zodat je maar één beeld op je netvlies hoeft te branden, en zorg dat je, al lopend, een gevoel houdt voor waar het noorden is en waar je jezelf op die kaart, met het noorden boven, bevindt. En je hebt natuurlijk je kompas nog, voor dat noord-gevoel.

27-01-2016 00-53-18Met dit als uitgangspunt ging ik verder. Vanaf waar ik stond (het rode vierkant met de kaart) waren posten 4 t/m 9 relatief dichtbij en op erg herkenbare plaatsen. Ik onthield hun relatieve positie, en onmiskenbare kenmerken waarmee ik ze zou kunnen vinden. Een hoek van een veld, een bocht van een sloot, afstanden tot kruispunten, en hoe ik zou lopen, gebruik makend van paden en kruispunten. En al gauw werd duidelijk dat post 10 ook wel te doen moest zijn. 11 dan ook maar? 8 posten onthouden leek net wat veel, maar het was ook wel weer aantrekkelijk. De tegenslag van het begin alweer bijna vergeten besloot ik het er op te wagen.

27-01-2016 00-39-29Tot en met post 9 ging het vlekkeloos, maar toen ik op weg was naar 10 besefte ik dat ik alleen maar een globaal gevoel voor richting had en niet zo veel inschatting van afstand. Maar ik had onthouden ik vanaf een doorgang tussen huizen naar het noorden moetst, en dat 10 dan links, en 11 verderop rechts naast het pad moest liggen. En de huizen waren door het winterse kale bos wel te zien. Weliswaar niet via de kortste, maar wel via een effectieve en snelle route kwam ik tussen de huizen uit, en toen ik een doorgang zag ging ik er in. De bedoelde doorgang leek meer op een tuin vol onkruid, zodat ik iets wat toegankelijker maar naar later bleek een oprit van een huis in rende, achter een toevallige andere loper aan die kennelijk het zelfde had gedacht. Gelukkig liep de oprit als ware het een pad door het bos in, alleen lag de post nu niet links maar rechts van het pad. Die vond ik, maar ik kon me eigenlijk niet meer herinneren na 7 andere posten waar 11 nou stond.

Maar wat ik wel wist was dat de kaartenwissel/start vlakbij was, en dus rende ik door naar het noorden, keek daar nog een keer op de kaart, en kon, met maar 1 minuut verlies, via 11 alsnog de eerste etappe afmaken. Best efficiënt, die laatste kwinkslag via de start, al zeg ik het zelf.

 

Lijnenloop

De lijnenloop, met een kaart met alleen maar zwarte lijnen (of het nou paden, sloten, greppels of wallen waren maakte niet uit), was een eitje. Op een aantal plekken kon ik gewoon een stuk afsnijden, want ik kende na de memorisatieronde het bos al aardig, sommige posten waren het zelfde als daarnet, en met koersen en afstanden was er weinig twijfel mogelijk. Dat ging dan ook super, en volgens de splits lag ik, ondanks de vertraging in het 1e deel, na de lijnenloop nipt op kop.

27-01-2016 00-28-43IOF

Het laatste stuk was een IOF kaart. Gewoon, net als altijd. Hoewel dat ook niet slecht ging ben ik daar nog wel 3 minuten verloren op de nummer 1. Maar goed, toch nog tweede geworden is zeker niet verkeerd, en bovendien was de memorisatieronde weer geweldig om te doen. Dat zou best vaker onderdeel van een wedstrijd mogen zijn, of, zoals anderhalf jaar terug, de complete wedstrijd mogen volhouden. Geef je hersens er van langs. Heerlijk!

Strategie

Toch is het laatste woord over de beste strategie nog niet gezegd. En dan bedoel ik niet het verdelen van de route in tactische en behapbare delen, want dat is natuurlijk een peulenschilletje vergeleken met het onthouden van de kaart. Enerzijds is er het versimpelen van de kaart tot slechts het minimale om foutloos te kunnen oriënteren. Maar tegelijkertijd wil je niet bij de minste of geringste afwijking van de kaart lopen en -omdat je slechts een kruimelspoor hebt opgeslagen- dat met geen mogelijkheid meer kunnen corrigeren. Dus je moet net iets meer onthouden om de route-corridor heen. Al was het alleen al om de locaties van de “eilanden”, de kaarten in het veld, te kunnen duiden.

splits
De splits van de memorisatie etappe. Ik ben de dikke blauwe lijn. Het lijkt er op dat een stuk of 4 lopers tussen post 2 en 3 op de kaart zijn gaan kijken, een handjevol tussen 3 en 4, maar de meeste tussen 6 en 7. Een stuk of 5 lopers zijn tussen 10 en 11 langs de start-kaart gelopen, of ze hebben gewoon lang naar 11 gezocht.

Ik denk dat het het beste is om je een noord-georiënteerde kaart in te prenten. En te onthouden wat je op die kaart moet doen om van punt tot punt te raken. “Pad, afslag, noordoost, sloot, volgen tot bocht, post. West tot greppel, noord, talud volgen, pad, tweede afslag links, stukje noordwest, post.” Maar altijd met een beeld van de kaart er bij. Gaat het fout, dan weet je waar je bent ten opzichte van de omgeving.

Aan de andere kant zou je, als je geen fouten maakt, ook elk been afzonderlijk kunnen inprenten, met de koers “omhoog”, en onthouden wat je links en rechts laat liggen. Dat lijkt een eenvoudiger, 1-dimensionale verzameling te onthouden kenmerken, maar omdat de context van de kaart ontbreekt, denk ik dat dat toch een zwaardere opgave voor je geheugen is. En als je zo 5 posten wilt onthouden, vergeet je al snel het zoveelste zij-paadje, waardoor je alsnog de weg kwijt raakt. Los van het feit dat het bij elke post niet intuïtief is welke kant het volgende been op georiënteerd is. Ik blijf bij mijn eerste idee: noord boven. En dat perfectioneren, zodat ik 7 of 8 posten in één keer kan doen.

Trainen

De grote vraag is natuurlijk: hoe train ik dit? Op o-training.net staan in elk geval een aantal aardige oefeningen. Thuis op de kaart van nabijgelegen bos een route tekenen en die zonder kaart rennen is een optie, maar ik geloof dat mijn oriëntatiegevoel totaal anders werkt in een bekende omgeving, waar locaties een associatie oproepen en daardoor zoveel eenvoudiger te onthouden zijn. Het moet dus een onbekende omgeving zijn waar ik de kaart nog niet van ken. En die zijn er vlakbij niet echt, dus moet ik verder van huis. Alleen, zodra je een route verzint, is die door het tekenen daarvan misschien al weer te makkelijk onthouden. Maar ja, dat is eigenlijk ook memoriseren.

  • Pak op de parkeerplaats bij een onbekend bos een stafkaart, teken er een route op, leg de kaart in de auto, ga rennen, en als je terug komt check je of je het goed hebt gedaan, eventueel achteraf met GPS-horloge.

Wellicht valt het ook vanuit de Leunstoel te trainen. Ik kan me bijvoorbeeld voorstellen:

  • De ene dag een route verzinnen op een willekeurige kaart (kan ook een stadsplattegrond zijn), en die een dag later tekenen. Je moet dan eigenlijk wel twee kopieën van de kaart hebben. De vraag is een beetje of de tijdschaal van een dag representatief is voor het type geheugen (korte-termijn) dat je bij een memorisatiewedstrijd gebruikt.
  • Je zou ook een route op de kaart kunnen uitdenken, en die even later als vereenvoudigde looproute kunnen tekenen op een blanco stuk papier. Kijken of je alle afslagen en essentiële terreinkenmerken nog weet. Kloppen de afstanden en richtingen nog een beetje? En hoe ziet die kaart er uit als je het een dag later probeert? Ik zie al een leuk experiment opdoemen.

Mocht je na het lezen van dit artikel meer leuke ideeën, oefeningen, strategieën of tactieken te binnen schieten, dan kan je die hier onder uiteraard posten. Sterker nog, ik nodig je van harte uit om er eens even over na te denken en een reactie achter te laten. Ik ben benieuwd.

Rust, Richting en Regelmaat

…had ik vandaag niet, maar daar schortte het wel aan. Althans, bij de Jenevercross vanavond. Want ik heb wat af lopen blunderen. En toch, toch was het weer erg leuk!

Maar eerst even wat huishoudelijke informatie: mijn blog-kanaal is natuurlijk weer veel te lang stil geweest. 22 oktober was de laatste post van van het laatste jaar. Daar komt dit jaar verandering in. Niet dat de trouwe lezer meteen elke dag een uurtje vrij moet maken om oriëntatie- en andere spinsels te lezen, maar wie weet óm de dag? Er gebeurt voldoenden, als ik me tenminste niet alleen tot oriëntatieverslagen beperk. Dus: voortaan meer interessants wat mij bezig houdt op deze blog. Want ik doe natuurlijk alleen maar interessante dingen 😉

Terug naar de Jenevercross van 2 januari. Vanmorgen kreeg ik zin om te rennen, en vanavond stond ik dus aan de start. Iedereen was alweer binnen, leek het, dus rappa-rappa inschrijven, de MAMIL-suit aan (middle aged men in lycra), beenkappen om tegen de doorntakken, hoofdlamp op de kop, kompas om de duim, en vlug naar de start. Snel even rekken, licht uit, batterij leeg, andere accu aangesloten, en op pad. Waar was ik? In Zoersel, het gemeentepark, maar op de kaart was het niet direct duidelijk. Snel de kaart omdraaien, want het was een twee-zijdig exemplaar en ik keek naar de route van de 2e helft (voor de 3e helft is geen kaart nodig).

En daar ging het dus al mist. De RUST was er niet. Om 19:15 thuis, erwtensoep en griesmeelpudding maken, en om 19:40 in de auto zitten om nog voor 21:00 te kunnen starten is geen Zen-aanloopje op een hyper-geconcentreerd nachtloopje. Nee, das stress waardoor je met een volle kop aan de wedstrijd beging. Les 1: niet doen. Wel deelnemen natuurlijk, maar met een leeg hoofd dat alleen bezig is met oriënteren -en de routine van kaartlezen-voor-de-volgende-en-daaropvolgende-post waar het kan. RUST.

Dus liep ik te veel een slag in het rond, je juiste kant op, maar niet exact de juiste RICHTING. Les 2: zorg dat je plan klaar is voordat je het moet toepassen. De route doordacht bepalen, zodat je telkens meteen de juiste koers loopt. Volgende keer ga ik daar op trainen. 0 fouten. Nul. Hooguit wat vertraging. En als dat er in zit, dan pas versnellen. (Ik heb mijzelf dit eerder horen voornemen, maar dit keer is het Nieuwjaar.)

En die REGELMAAT? Dat betekent natuurlijk dat ik regelmatiger ga lopen. Als in: vaker. Vaker een oriënatieloop, want dan wordt ik vanzelf beter. Ik moet toch ook eens een NK kunnen winnen, al loop ik meestal in België. En als ik nou regelmatiger 4’33” per km zou lopen, zoals vanavond van post 14 naar 15, dan zou dat nog moeten lukken ook.

Proost, op het nieuwe jaar! Ik ga deze 3 voornemens laten uitkomen. Dat dacht ik bij het acheroverslaan van het traditionele jenevertje bij de finish. Het was weer een mooi evenement.

Eilandmemorisatie: scrabblewoord of uitdaging?

Ik zeg: uitdaging! Dit is inspannend, maar ook erg leuk om te doen. En confronterend, want je geheugen wordt sterk op de proef gesteld.

Waar gaat het over?

Gisteren, woensdagavond, organiseerde Hamok een Lenteloop. Omdat het terrein op zich vrij eenvoudig was, hadden ze er iets bijzonders van gemaakt. In plaats van een kaart aan de start uit te reiken met de route, kreeg je die slechts 1 minuut te zien. Op die kaart stonden weliswaar alle posten, maar dat waren er te veel om te onthouden. Ook stonden er 6 locaties aangegeven  post waar een moederkaart hing, zodat je onderweg nog wat op kon zoeken. Zoals hier onder:

20140521_Basvelden_blank

Overigens ga ik er even aan voorbij dat Peter, onze fantastische trainer, dit al een paar keer heeft gedaan bij de KOVZ training, maar ik elke keer daar van verhinderd was. Zodat ik nul ervaring had met memorisatie, maar die wel had kunnen hebben. Nou ja, niet helemaal nul, want ik heb bij de Midwinterrun 2013 wel iets soortgelijks gedaan, en dat ging lang niet slecht.

TactiekIMG_20140522_230632

De moederkaartlocaties waren tevoren al in te zien geweest, dus die kende ik. Beetje rondgekeken vanuit het CC tijdens de inschrijving, en ik had enig idee van afstand, en grootte van het terrein. Maar een kompas leek toch niet overbodig want alles stond er schots en scheef, en elk voetbalveld leek op elkaar. Ik stelde me zo voor dat ik een paar posten per keer uit mijn hoofd zou kunnen leren, maar hoeveel? Geen idee. Geen 29 in elk geval, en zoveel stonden er op de postomschrijvingsstrook. Ik besloot te kijken hoe ver ik kon komen, maar ik leek toch bij 4 te blijven steken, met één minuut memorisatietijd, misschien 5.

Onderweg naar de eerste van die paar posten bedacht ik dat ik had moeten plannen waar ik een moederkaart zou opzoeken. Mijn 4e en 5e post, 102 en 96, bevonden zich ‘onderaan’ op de kaart (de controlenummers waren van laag naar hoog, van noord naar zuid gerangschikt om het zoeken te vergemakkelijken), en daar stond een post op de kaart, herinnerde ik me. Dus zodra ik die zou passeren zou ik kijken wat er zou volgen. Klonk als een solide tactiek.

Na vier posten kwam ik inderdaad langs een kaart, en vier zou inderdaad een soort magisch getal blijken; misschien omdat ik niet meer posten per keer leek te kunnen onthouden, of omdat dat nu eenmaal gelukt was, en het al best pittig bleek.

In elk geval plande ik vanaf toen telkens als laatste punt van een serie een moederkaart. Het leek verstandiger na bijvoorbeeld 2 posten op een kaart te gaan kijken als die toch min of meer op mijn route lag, dan om er 6 trachten te onthouden, maar na 4 te constateren dat ik flink om moest lopen om alsnog de locatie van die 2 vergeten posten op te zoeken. Dus werden het steeds rijtjes van 5: 4 posten + 1 kaart.

22-05-2014 23-54-40
Eerste 4+1: vier posten en een kaart.

Gezien de openheid van het terrein leek het me niet nodig in al te veel detail naar de omgeving van de posten te kijken. Veelal keek ik naar een opvallend referentiepunt, en wat globaal de relatieve positie van de post was, om die makkelijk te kunnen onthouden, en ging er ik er van uit dat ik hem, eenmaal in de buurt, wel zou zien staan.

22-05-2014 23-57-23
Tweede 4+1. Even lopen zoeken naar 96.

Wat ik nog wel deed was kijken of er obstakels op de route zouden liggen, zoals hoge gesloten hekken, of verboden terreinen (zoals atletiekbanen met geestdriftige speerwerpers, of voetbalvelden met enthousiaste hooligans). Water ontbrak onderweg; ook om te drinken.

Analyse

22-05-2014 23-27-04
3e run: wat een 3+1 had moeten werden werd een 1+???+1.

De praktijk bleek wat weerbarstiger. Na twee soepel verlopen 4+1 runs, bleek ik me verkeken te hebben op de vindbaarheid, pardon, zichtbaarheid van post 34. Ik had het veldje onthouden, en dat de post op 2/3 van de lange zijde zou staan. Iets naast een stipje waarvan ik geen idee had wat het zou zijn. Maar daar aangekomen zag ik geen post. Verkeerde veld? Tot dan to had elke post op een zichtbare plaats gestaan.

23-05-2014 00-00-42
Run 4: 3+1.

Of toch niet? Nu ik er over nadenk stond 96 ook al achter een struik in een kuil, dus mijn gevoel klopte niet. Het kon best lastig zijn. Maar dat realiseerde ik me toen niet, en ik ging er van uit dat ik gewoon de postlocatie verkeerd had onthouden en op het verkeerde veld stond. Ik had immers alleen onthouden dat het een meest noordelijk veld was, maar er was nog een vrij noordelijk veldje bij de parking. Prompt liep ik zowaar een moederkaart voorbij, waar ik natuurlijk meteen had moeten gaan kijken, maar overtuigd dat het niet het ene veld was, moest het wel het andere zijn; in mijn hoofd althans. Parking over, zoeken, nog een post bekijken, tot de locatie van de moederkaart tot me doordrong. Kijken, toch weer naar mijn oorspronkelijke plek van 34 terug, maar nu ook achter de struiken gaan zoeken, nadat ik had gezien dat de post in het gebladerte stond. Inmiddels was ik bijna vier minuten verder.

Kennelijk onzeker over de gemiste post en de verloren tijd, besloot ik het wat voorzichtiger aan te doen: 3+1 onthouden, en dan weer verder zien. Niet heel tactisch, want de volgende post na 53 was 65, en die lag juist zuidelijk, terwijl mijn kaart noordelijk van 53 hing. Omlopen dus! Met een halve minuut verlies.

23-05-2014 00-03-09Met iets meer zelfvertrouwen besloot ik er weer 4, of zelfs 5 achter elkaar te gaan doen. Aanvankelijk voorspoedig verlopen -ik had zelfs de plek van 54, tussen te twee hekken onthouden bij een vorige passage- raakte ik na de 4e post de kluts kwijt. Ik weet zeker dat ik wist dat die helemaal in het oosten stond, bij een plukje lastig groen op de kaart, maar toch ben ik naar de dichtstbijzijnde kaart gelopen, die helemaal niet zo dichtbij bleek te hangen. Hop, daar gaat wéér een minuut!

23-05-2014 00-11-02Het gevolg was een nogal suf op-en-neer-tje van de kaart bij de tennisbanen naar 77, en via 73 weer terug naar diezelfde kaart. Al had ik alleen maar onthouden dat ik in de meest oostelijke hoek van het terrein moest zoeken, en was ik daarna via de kaart bij de tennisbanen naar 73 gelopen, dan was dat zoveel sneller geweest. Laat ik het maar toeschrijven aan de inspanning.

23-05-2014 00-11-21Dan volgt er een flink stuk, met weliswaar maar 2 posten (en een kaart op het eind), maar toch met wat gezoek, omdat ik de 2e post niet eens meer weet te vinden, en de kaart ga zoeken bij een veld waar deze niet hangt. Ik had me een huisje naast het voetbalveld herinnerd, maar dit bleek een minder veelzeggende dug-out-zonder-kaart. Ik moet me echt beter concentreren!

23-05-2014 00-11-33En dat lukt. 4+1 op rij is het resultaat. Eerst een hek vlakbij, dan tussen de westelijke tennisvelden, vervolgens een post die ik eerder heb gespot in een hoekje van een veld, en ten slotte en post tussen de struiken, vlakbij dezelfde kaart waar ik nog een keer terug ga komen. Maar dan maak ik weer de fout die ik al eerder maakte: ik merk niet op dat een van de posten lastig geplaatst is en meer aandacht vergt – die tussen de struiken. Komt goed, denk ik, dat zien we dan wel. Maar zonder kaart wordt dat simpelweg zoeken. Halve minuut, toedeledokie…

23-05-2014 00-11-52De finale bestaat uit nog 4+1 posten, waarbij de laatste +1 geen kaart is maar de route naar de finish. En die had ik al gespot op weg naar de start. Zuidoost punt van de atletiekbaan, noordhoek van ‘het schip’, hoek van de parking, en dan het perkje naast de kleedkamers bij het CC, waar ik al eerder langs ben gekomen.

Alsof ik alle eerder gemaakte fouten wil compenseren verloopt dat laatste stuk vlekkeloos. En volgens de splits nog best snel ook.

#controls t/m post kaartleestijd verloren op
moeilijke post
verloren door routekeuze memorisate
per post
4 4 0:01:00 0:00:15
4 8 0:00:59 0:00:30 0:00:15
1 9 0:01:02 0:03:40 0:00:20 0:01:02
3 12 0:01:19 0:01:00 0:00:26
4 16 0:01:04 0:00:16
2 18 0:00:56 0:01:00 0:00:28
2 20 0:00:37 0:00:45 0:00:40 0:00:19
4 24 0:01:17 0:00:25 0:00:19
4 28 0:00:39 0:00:10
28 0:08:53 0:05:20 0:03:00 0:00:19

Wat je onder ander ziet is dat ik ongeveer 15-20 seconde nodig heb per memorisatie. Het gaat niet beter als ik langer blijf kijken. Soms echter kost het tot wel 30 s per post. Die uitschieter naar 1 minuut komt doordat ik vervolgens de 2e post van de 2 niet vond. Ik denk dat als ik 6 posten per keer probeer te onthouden, het misschien per post wel gewoon even veel tijd kost. En ik dus niet eens zo heel veel tijd win door minder vaak naar de kaart te hoeven lopen. Hoewel ik daarvoor slechts 1 keer een halve minuut voor heb omgerend, een keer naar de kaart liep omdat ik een postpositie vergeten was, en de andere keren hing de moederkaart redelijk op de route.

Splits

23-05-2014 01-20-06
Splits positie: de hoeveelste tijd ik had, per post.

Soms was ik best snel. 18 van de 28 posten bij de snelste 4. Soms was ik ook de allerlangzaamste, maar dat heeft natuurlijk ook met het moment van kaartlezen te maken. Je ziet dat soort trends ook leuk terug in de splits-grafiek met mijzelf als referentie (de horizontale lijn door 0):

23-05-2014 01-23-15

Als alle lijnen omhoog gaan deed ik er langer over (en stond in het verkeerde bosje, of ik stond kaart te lezen), en waar de meeste lijnen omlaag gaan liep ik ofwel sneller dan iedereen, maar vermoedelijk keken zij daar op de kaart. Leuk om te constateren dat niet iedereen dezelfde aanpak heeft. Hoewel de vele ‘parallelle golven’ doen vermoeden dat veel mensen weliswaar dezelfde tactiek volgen, maar dat die anders is dan de mijne. Erg grappig om te zien.

Volgende keer beter

23-05-2014 00-17-40Stel dat ik nou eens meer dan 4 posten tegelijk kon onthouden, doordat ik het nu een keer eerder gedaan heb, maar ook door de techniek van het memoriseren te oefenen. Hou zou ik dan gelopen hebben? Dan zou ik bij de eerste run twee postjes meer meegepakt hebben, bijvoorbeeld. Na de 6e kwam ik weer pal langs een kaart. Wel had ik bij de lastige, 96, beter moeten onthouden waar die stond: niet in het veld maar net in het (witte) bos.

23-05-2014 00-18-07De volgende vijf waren ook niet heel moeilijk op zich. Weer goed kijken bij de lastige posten die niet direct te zien waren vanaf het open veld. En er zou weer kaart volgen, min of meer op de route naar 53.

23-05-2014 00-18-20Dan kreeg ik er 7 achter elkaar. Waarom 7? Omdat er onderweg eigenlijk geen kaart hing, zonder al te veel af te moeten wijken van de kortste weg. 6 kon ook, dan had ik een klein stukje terug moeten lopen na de laatste, maar ik had ook kunnen onthouden dat ik die vlak voor een van de kaarten, waarvan ik de locaties inmiddels redelijk uit mijn hoofd kende, misschien wel tegen zou komen.

23-05-2014 00-20-58Vervolgens zou dan een veilig stuk volgen, met 6 posten, en onderweg wel vier keer een moederkaart, zonder al te veel meters extra. Dat zou mooi uitkomen als de vermoeidheid zou toeslaan op het eind van de wedstrijd.

23-05-2014 00-21-09En ten slotte nog 4, plus de finish. Maar daarvan had ik al laten zien dat dat in 1 ruk kon.

Oefenen

Hoe train je nou zo iets? Het komt eigenlijk op drie dingen neer:

  • vóóruit lezen op de kaart zoals je normaal ook zou doen, maar alvast een paar benen vooruit plannen, en kaartleesmomenten inbouwen (noem het tactiek)
  • de kaart zodanig vereenvoudigen dat deze makkelijk te onthouden is en alleen de relevante details opgeslagen worden (noem het techniek)
  • de locatie van de posten en de eerstvolgende kaart, in de juiste volgorde, onthouden (noem het geheugen)

Als je die drie dingen weet te trainen heb je er in een normale oriëntatieloop ook profijt van. Misschien valt het thuis op de bank te trainen, door de ene dat punten op een kaart te zetten, die te onthouden, en de volgende dag ze op een kopie van die kaart in te tekenen. En -hoewel voor de geheugentraining eigenlijk overbodig- met de eerste kaart te vergelijken. Een oriëntatiekaart heb je daar eigenlijk niet eens voor nodig, en de schaal doet er evenmin toe. Het kan ook een Google map zijn van een onbekende stad, als het maar niet een bekend terrein is waar je anderszins allerlei associaties bij hebt (dus niet de kaart van Europa, of zo), want die heb je bij een willekeurige struik of heuvel of bocht in een pad bij een oriëntatieloop ook niet. Ik ga het proberen!

Leerpuntjes

Een paar tips voor een volgende Memorisatie:

  • Goed kijken welke posten lastiger zijn geplaatst (minder goed zichtbaar), en daar dan wat beter van de plaats onthouden. Dat zou zo maar 5 minuten hebben kunnen schelen, bijna 15%.
  • Routes checken op obstakels. Het ging nu niet fout, maar ik had zomaar voor een dicht hek of een brede sloot kunnen staan.
  • Slimmer plannen, en iets meer moeite doen om die ene post te onthouden waardoor ik zonde omlopen langs een kaart kom. 3 minuten winst op het totaal? Toch weer zo’n 10%.

 

Lekker lang licht!

Het is weer lekker laat donker aan het worden! Dus langer licht. Ik had deze blogpost eigenlijk in het najaar willen schrijven, maar dat kwam er niet van. Toen vond ik het juist zo vroeg donker, en laat licht worden. Nu zul je iets zeggen van: Ja, dûh, het wordt altijd later donker in het voorjaar. (En in de winter ook trouwens, die begint zodra de dagen gaan lengen.) Dat klopt, maar het wordt wel sneller licht in het vroege voorjaar dan donker. En omgekeerd. In de late herfst is het weer anders: dan wordt het sneller later licht dan eerder donker.

Snap je het nog? Nee? Tijd voor een grafiekje, zo’n handig lijntje op millimeterpapier. Dat meer zegt dan duizend vergelijkingen. En daar moet je dan niet met een scheef oog naar kijken, maar met een recht oog, want de grafiek blijkt scheef te zijn.

Horizontaal: winter – lente – zomer – herfst. Vertikaal: tijd op de dag van zonsopkomst (groen), zonsondergang (rood), en het tijdstip daar midden tussen in (blauw). Tijdens de zomertijd is alles zelfs nog een uurtje later (gestippeld). De grafiek is niet symmetrisch: en dat komt niet alleen doordat ik de randen niet op 21 december heb gekozen, maar ook omdat de ‘golfbeweging’ zelf niet symmetrisch is.

Duidelijk? Nee, niet helemaal. Want een grafiek zonder uitleg is als een kaart zonder legenda.

Je ziet de dag, zolang het licht is, tussen de de groene en de rode lijn. De aarde draait rondjes rond de zon, de aardas staat een beetje scheef (23,45°, lekker makkelijk te onthouden), en dus lijkt de zon door het jaar heen op en neer te slingeren aan de hemel (als je dagelijks op dezelfde tijd kijkt). Je zou in eerste instantie denken dat dat even snel op als neer zou zijn, mooi regelmatig. Maar het tijdstip van zonsop- en -ondergang is dat niet. De grafiek is scheef.

Heb ik deze gewoon fout getekend? Of berekend? Dat kan haast niet. Ik heb een beproefd algoritme gebruikt van een ouderwetse website in zwart-wit, in mono gespatieerd lettertype. Dat moet wel kloppen. En een grafiek als hier boven kan je ook elders op internet vinden. Dat scheve, dat klopt gewoon.

Zonsondergang (rood) en zonsopkomst (groen). Duidelijk is dat het geen mooi symmetrisch sinusvormig verloop is (ter vergelijking gestippeld weergegeven).

En dus ook de perceptie dat het zo snel donker wordt in de herfst. Zo veel dat het merkbaar is? Of vinden we het gewoon jammer dat het eerder donker wordt, en is het per definitie te snel? Laten we eens in meer detail kijken naar het verloop.

Verloop van het tijdstip van zonsopkomst en zonsondergang, in minuten per dag. De rode lijn geeft weer hoeveel minuten het per dag in de winter en het voorjaar later donker wordt, en in zomer en herfst donkerder. En dat is duidelijk anders dan het verloop van de groene lijn, de zonsopkomst. Die is in het najaar afgeplat, terwijl de zonsondergang dat in het voorjaar is.

Hier boven zie je de afgeleide van de tijdstippen in de tijd, de verandering per dag. Dat maakt nog eens extra duidelijk hoeveel verschil er tussen de eerste en de tweede helft van het jaar bestaat: in de eerste helft verloopt de zonsondergang met hooguit 1’40” per dag, terwijl de zon tot wel 2’20” eerder opkomt per dag. En in de tweede helft is het precies omgekeerd. Maar die 1’40” per dag wordt wel vrij snel, in januari al, bereikt, en houdt aan tot begin juni, terwijl de 2’20” veel geleidelijker wordt bereikt, en even sloom weer afneemt.

Wat je ook ziet is dat het midden van de dag slingert, en misschien nog wel opvallender is het dat dat met een periode van een half jaar verloopt: twee keer per jaar verschuift het midden van achter naar voren en omgekeerd! Hoogst merkwaardig.  En dan nog iets: het verloop van de daglengte, lijkt veel afgeplatter dan een normale sinusvorm. Terwijl de afgeleide van een sinusoide weer een sinusoide is. En dat is de daglengte dus niet. Zou het allemaal met elkaar te maken hebben?

En tenslotte kan je zien, als je goed kijkt, dat het snijpunt van de zonsopkomst- en -ondergang niet op de nullijn ligt (“0 minuten per dag”), maar er net boven, zowel op midzomer als op midwinter. Rond de kortste dag wordt het dus alweer later donker, maar ook nog stééds later licht. En na de langste dag blijft het nog even elke dag láter donker worden.

Ik zal nog een stapje verder gaan met mijn grafieken, en de afgeleide van de afgeleide berekenen, oftewel, de variatie in het verloop.

De tweede afgeleide van de tijden: rond midwinter en midzomer buigt het verloop van op- en ondergangstijden het sterkst af, te zien aan de pieken. Maar wat nog meer opvalt is dat het verloop van zonsondergang in de tweede helft van het jaar constant verloopt, en in de eerste helft veel grilliger is, en zelfs even omkeert: het wordt eerst snel later donker, dan wordt het eventjes langzamer later donker, en dan weer sneller.

Eind winter, begin lente, zo zie je hier boven, lopen alle curves in de grafiek vrij vlak. Op de plek waar ze de nul-seconde-per-dag-per-dag lijn kruisen. Dus daar verandert de helling van het de zon-op/onder curve niet zo sterk: hij is daar afgeplat. Dat hadden we al eerder gezien. En in de herfst ook weer. Maar nu zie je dat dat niet alleen perceptie was, maar ook klopt. De daglengte-verandering verandert daar ook minimaal. Oftewel, een tijd lang wordt de dag dagelijks even veel langer, en een half jaar later korter. En bij de beide zonnewendes, midwinter en midzomer, verandert het juist heel scherp: ruim 6 seconden per dag per dag. Dus stel dat er twee dagen even lang zijn, dan is de daaropvolgende dag 6″ korter, die daarop 12″, die daarop 18″, etc. tot de daglengte bijna twee maanden lang met 4 minuten wordt verkort. En dát verloop, de daglengte, is in het voorjaar wél vergelijkbaar van vorm. Dus, hop, morgen heb ik weer vier minuten meer om bij daglicht te rennen.

footorienteeringnight_0Even een linkje leggen met oriëntatielopen: Nachtwedstrijden zijn er in de wintermaanden. Het moet vroeg genoeg donker worden zodat iedereen -eerlijkheidshalve- evenveel duisternis op zijn pad treft. De laatste nacht-loop is zo rond 5 maart (zon onder 18:15, start 19:00), en de eerste 25 oktober (zon onder 18:30, start 19:30). De zon moet dus minimaal een uur onder zijn. De (woensdag) avondlopen beginnen daarentegen weer half mei, als de zon zo rond 21:15 onder gaat, en starten tot 20:30. De laatste daarvan is zo eind augustus, als de zon om 20:45 onder gaat, en starten kan tot 20:00. Met andere woorden: voor een goede nacht-O moet het al een krap uur donker zijn, maar er wordt aangenomen dat er nog zonder hoofdlamp te lopen valt tot rond zonsondergang. En dan hangt de laatste starttijd af van de lengte van de route en dus de geschatte eindtijd. Nou ja, je kan natuurlijk ook twee uur eerder starten bij de zomeravondlopen, dus da’s een keuze.

Een volgende keer kom ik er op terug waardóór deze zonnetijden nu zo apert verlopen, en de plaatjes niet gewoon mooi symmetrisch zijn. Wil je op de hoogte blijven? Vul dan je email adres hier onder in, en je krijgt bericht als ik iets nieuws post.


 

Maar voor nu: onthoud gewoon dat we er ‘s avonds bijna het halve jaar lang ongeveer 1’40” bij krijgen. En dat het binnenkort maximaal snel vroeger licht wordt, maar dat dat even later weer vertraagt.

Ultra-orienteering: 52 km rennen op kaart en kompas – Midwinterrun 2014

Na een spannende race van 52 km wonnen we de MWR’14. Alle posten gevonden, en slechts 3 foutjes onderweg.

Extreem lang, dat was het! En evenzozeer gewonnen! Ik ben wel een beetje trots. Met een combinatie van uithoudingsvermogen, goed kaartlezen, snelheid en heel weinig fouten maken bleken we de troeven in handen te hebben. O, ja, en natuurlijk door niet onverdienstelijk te schieten, want het was een soort Biathlon. Waar ik dàt vandaan heb weet ik niet, maar het zoeken en kaartlezen beheers ik vanuit jarenlang Geocaching en ook alweer een paar jaar Oriëntatielopen, en Jeroen loopt hele marathons (en ik soms naar België), dus we hadden de juiste skills in huis. Maar het was bovenal weer een geweldig leuke ervaring!

gewonnen

Survivalteam 3e De Bosraggers 1e Menno en Ruud 2e

Na de lol en het succes van vorig jaar was al duidelijk dat team Bosraggers zich zou inschrijven voor deze Midwinterrun, zodra de datum bekend was. Zo gezegd, zo gedaan. We lazen afgelopen week nog even het verslag van de vorige editie door, spraken de dag tevoren onze tactiek af, pakten onze spullen (vol geheime slimmigheidjes, net als elk ander team), en gingen de ochtend zelf om 5:50 de deur uit, op weg naar Lunteren. Dit keer niet met een lege benzinetank en zonder ontbijt, wat vorig jaar best onhandig was, toen alle pompstations dicht bleken. Als eersten kwamen we aan, maar al snel liep het vol met nerveuze lopers, die ook nog even snel hun uitrusting op orde moesten maken.

Start

opdracht1Toen om 8:15 de briefing begon werd duidelijk dat de opzet niet veranderd was. Al gingen we niet per bus op pad, maar zouden we gewoon starten waar we toen waren. Alleen toen het echte startschot viel, en elk team zijn enveloppe met kaarten voor de dag kreeg, prijkte daarin slechts een Topo25 legenda en een half kaartje van het dorp, met een aantal opdrachten. Voordat we deze correct hadden uitgevoerd mochten we niet weg; tot na 9:00 althans, en dan kreeg je meteen 30 strafminuten er bij. Na 8 minuten hadden we de juiste oplossingen, en gingen -als eersten- op pad, om roadbook, extra aanwijzing, en kaarten te verzamelen bij de gevonden kerken van de opdracht. L1

Dat was wel een beetje een teleurstelling: geen verwarmd klaslokaaltje zoals vorig jaar, om op ons gemak de ontbrekende punten in te tekenen op de kaart aan de hand van coördinaten in RD-, UTM-, en graden-minuten-seconden-notatie, maar een vochtige stoep of een bemost bankje op het kerkhof. Bijna 25 minuten hadden we nodig om de kaarten aan elkaar te passen, de relatieve hoek en schaal te bepalen, slechts 6 coördinaten in te tekenen, en de meest tactische volgorde te bepalen, er rekening mee houdend dat we van één punt, CP4, de coördinaten pas onderweg zouden vinden, en het vast niet tussen CP3 en CP5 zou liggen op de kaart. Te lang kostte dat! Maar daar kom ik op het end nog op terug. Eerst op pad…

Etappe 1

etappe 1
Het Roadbook van etappe 1.

Maar meteen bij CP1 ging het al mis. Vijf teams -we dachten dat we snel waren- stonden al te zoeken (en soms ook punten in te tekenen op de kaart) maar niemand leek iets te kunnen vinden. Wij ook niet. Na 5 minuten opgegeven, en doorgelopen naar punt CP2. Bij CP3 vonden we de locatie van CP4, die we meteen maar intekenden op de kaart, en die inderdaad pas tussen CP13 en CP14 bleek te liggen. Bij CP5 vonden we opnieuw geen blauw kaartje. Vervelend. Toch maar goed het roadbook lezen. En wat bleek: er stond “Noteer nummer (op afstand zichtbaar)”. In tegenstelling tot de andere punten waar duidelijk “Noteer CP nummer” bij stond. En dat viel nu pas op, na 5 minuten zoeken, en, erger nog, na hier ook bij CP1 helemaal overheen gelezen te hebben. We noteerden het nummer van de kilometerpaal van de spoorlijn, en bedachten dat er bij CP1 vast ook een bord of paal met nummer had gestaan. Zouden we terug gaan? Of er later nog langs lopen? Eerst maar verder, naar CP6.

Midwinterrun 2014 - A (25/01/2014)
(klik om de hele kaart te openen)
geroteerd
Hij was dus een beetje geroteerd. Gemeen? Ach, dat kan je verwachten. (klik om de hele kaart te openen)

Langs CP6 liepen we van de kaart af. De volgende, een Google Satellite luchtfoto, stond een paar graden geroteerd ten opzichte van de vorige kaart. Gemeen, maar we hadden het snel door. Globaal hadden we hem al georiënteerd op basis van de schaduwen van de bomen. Alleen liepen we vrolijk naar het punt links onder, om pas daar te beseffen dat dat het CP12 was waarvan tijdens de briefing verteld was dat het vervallen was. Stomstomstom. Maar op zich wel een mooi plekje…

De punten er na, CP9 en consorten, schijnbaar willekeurig genummerd, gingen zonder noemenswaardige problemen, maar onze voorsprong was verspeeld. Bij CP8, een hoogspanningsmast, werden we “betrapt” door een man met een jachtgeweer: wat we daar wel niet deden. Privé terrein, verboden toegang. Maar op onze route om er te komen stond geen bordje. Het was ook niet echt de standaard route. Na wat uitleg, en het besef dat het om niet zo veel mensen ging, liet hij ons verder gaan. Maar hij was er niet blij mee, ook omdat tijdens het gesprek 5 teams her en der uit de struiken kwamen springen. Er volgde een punt, CP13, op een soort heuvel die volgens de CP8kaart ook een kuil kon zijn. Topo25 geeft niet aan wat omhoog en wat omlaag is, zoals op een echte IOF oriëntatiekaart. Het bleek een kuil. Maar de vaart zat er weer aardig in, en in no-time vonden we CP14 en CP15.

Daarna leek het ons handig om alsnog CP1 langs te gaan. Leek op dat punt maar een kilometer heen en terug – in het echt iets meer vanwege ontbrekende spoorwegovergangen en een bloemkoolwijk.

"Even" langs CP1 om 20 punten te scoren.
“Even” langs CP1 om 20 punten te scoren.

Maar 10 minuten omlopen scheelden wel 30 strafminuten. Door naar CP17 en CP16. CP17 leek er niet te zijn. Er stond een hek, maar daar binnen leek het privé terrein, en na onze eerdere ontmoeting was dat niet direct het aangewezen speelveld. Gelukkig zagen we het nabijgelegen valse CP niet, dat volgens de kaart die we achteraf te zien kregen zo dichtbij lag dat andere, juiste CP’s, even ver bleken te hangen van het punt op de kaart, en we dus ook als “vals” haddenkunnen interpreteren. Het blijft soms een beetje “fuzzy”.

Zo weet je nog niet waar je bent!
(klik om de hele kaart te openen)

Dan maar door naar CP16, dat, na verkenning, heel duidelijk binnen het zelfde hek lag. En waar we zonder artikel 461 te passeren prima konden komen. Dat wierp een ander licht op CP17, dat inderdaad binnen het hek bleek te liggen, en wel zo dat wij het ook van buiten hadden kunnen zien hangen (en lezen, mits we een verrekijker hadden gehad). Het andere team dat met on naar CP17 had gezocht -en het ook niet leek te kunnen vinden- had het wel zien hangen en was via de andere kant omgelopen. Zo zie je maar.

wij
Team Bosraggers, na afloop, met luchtbuks. Het was een echte Ultra-oriëntatie-biathlon-challenge.

Als tweede kwamen we na CP18 bij de start, waar een verrassing wachtte: de schietbaan van SV Tyr werd inderdaad gebruikt, en met 5 luchtbuks kogeltjes zouden we evenzoveel doelen raken. Lastig, met een bonkend hart en gierende hartslag, maar we bleken er goed in! Ik schoot 49 uit 50 punten, waardoor dit maar 1 strafminuut opleverde.

Etappe 2

Het intekenen van de punten van etappe 2 ging sneller dan bij de eerste etappe, want binnen 20 minuten stonden we weer buiten. Dit keer hadden we dan ook een tafel tot onze beschikking. De combinatie-coördinaten met noord in RD en oost in dd°mm’ss”s waren iets lastiger vanwege de hoek tussen de noord-zuid meridianen van de twee stelsels (0.3° voor RD, maar bijvoorbeeld ruim 3.2° voor UTM ten opzichte van het ware noorden).

De tweede etappe.
(klik om de hele kaart te openen)
etappe 2
Het Roadbook van etappe 2.

De tweede etappe leek qua uitvoering op de eerste. De punten stonden al op de meest logische volgorde, alleen CP30, waarbij niet “Staat op de kaart” staat, blijkt, na intekenen, gelijk te zijn aan CP17. We vragen het team Chickenpower, de organisatoren, maar zij kijken wat verbaasd: “Natuurlijk blijven de kaartjes op dezelfde plek hangen, maar je kan de controlenummers van etappe 1 toch niet meer opnieuw inleveren.” Vreemd. Later blijkt dat er nog een CP30 is, dat wel op de kaart staat getekend, en dat het dus twee keer gegeven is, op totaal verschillende locaties, blijkt een fout. We nemen het zekere voor het onzekere, en gaan beide plekken af, ook die waar we al eerder waren, want dat het een vergissing is en geen /uitdaging/ horen we pas na de finish. Vreemde beslissing, want dat CP17 een “8” was wisten we al, en om dan nog een keer te gaan kijken…

Voordat het zover is lopen we nog langs CP22 t/m 24, met bij ééntje een relatief eenvoudige projectie, die we op passen en kompassen uitvoeren. Dan, bij CP25, wordt het weer lastiger. Een wirwar van paadjes, en twijfel welke het is. CP26 is nog lastiger, vooral omdat hij zo makkelijk is! Het CP kaartje hangt dusdanig in het zicht dat het wel vals moet zijn, zo denken we. Bovendien lopen er meer paden dan op de kaart staan. Terug, heen, rondje maken, double-check, maar we blijven bij het in-het-oog-springende kaartje. Moest wel kloppen.

Een “after-lunch” dipje? Drie posten achter elkaar waar we flink aan het klungelen zijn geweest. Vooral omdat er meer paadjes waren (en soms minder) dan op de kaart stonden. Telkens kwamen we in eerste instantie op de goede plek, maar klopte het patroon niet met de kaart.

De heuvel op naar de toren, tweede paadje linksaf in… nee, dat klopt niet, dat loopt in een rechte lijn van de toren of, en wij moeten er eentje eerder hebben. Dit lijkt wel die stippellijn op de kaart. Doorlopen tot de splitsing, iets noordelijker, maar dat matcht niet. Dan maar het westwaartse pad volgen om te zien waar dat uitkomt. Dat lijkt het westelijke kleine paadje onder de ‘a’ van Galgenberg te zijn, maar komt niet uit op het oorspronkelijke pad de heuvel op. Uiteindelijk vinden we het CP, maar de kaart klopt hier niet. En dan blijf je twijfelen of het niet een vals CP is, want weet team ChickenPower -aha, vandaar dat CP op alle kaartjes- dat ook? En bij CP28 gebeurt iets soortgelijks. Het beoogde en gezochte pad is vanuit het westen komend niet te herkennen, staat wel op de kaart, maar pas na veel zoeken vanuit de andere richting vinden we iets pad-achtigs met een CP-kaart.

CP29
Je ziet dat we lang hebben gezocht bij de klimboom midden op de open plek, bij het CP-bollejte, voordat we bij de bosrand waar het pad in het groen verdwijnt zijn gaan kijken en het CP-kaartje vonden.

Ook CP29 zorgt voor wat vragen. Op de kaart staat het overduidelijk midden op de open heide vlakte getekend, waar een schitterende klimboom staat. We klimmen er in, vinden niets, en noteren tenslotte een CP nummer op een boom aan de rand van de vlakte? Vals? Daar moeten we later maar achter komen. Twijfelen doen we zeker. Misschien daarom wel gaan we langs het overbodige CP30 om ook dat te noteren, terwijl we niet eens weten of dat er wel zal hangen. Team CP was zich kennelijk nog niet bewust dat er iets fout was, laat staan dat wij wisten wat er dan precies niet klopte.

Doen we eerst CP32 en dan CP31? Het kan net zo goed, qua route. En dat blijkt maar goed ook, constateren we ruim drie en een half uur later als we etappe 4 lopen. Want er vlakbij ligt nog een punt dat we, vanuit zuidelijke richting komend, vast eerder hadden gezien. Maar vanuit het westen komend vinden we het juiste CP32 bij een bankje. Da’s boffen. CP31 is al vanaf meters afstand te zien, want het is weer een nummer op een mast. Een nummer dat we een paar uur later niet vergeten zijn.

CP36Daarna wordt het weer even makkelijk. Een klein beetje twijfel bij CP35 -is het nu een bult of een kuil op de kaart?- want het blauwe kaartje hangt voor ons -enigszins wantrouwig afgestelde- gevoel veel te opvallend. Maar de locatie klopt, dus het zal wel goed zijn. Maar dan gaan we de mist in. CP36 lijkt de voordeur van een grote villa met oprijlaan, waar we niet kunnen komen. Maar de aardige mensen die er wonen hebben met riante cijfers hun huisnummer op het muurtje naaste de oprit gezet. Helaas blijkt dat we het CP een seconde te snel en een paar mm te laag hebben ingetekend, en het om een heel ander huis ging. En omdat het verkeerde nummer geen vals CP was kostte het geen 45 maar meteen 60 strafminuten. 

Hoe 1 seconde overeen komt met 60 minuten…

Dit zou onze eerste van drie fouten worden. Intussen zagen we niet veel andere teams meer. Na dit punt kwam er nog eentje achter ons aan, en zagen we verderop een team in een andere richting lopen, maar voor ons in elk geval niet veel meer. Dat maakte het meteen wel weer een stuk spannender. Zouden we deze positie weten vast te houden?

Bij CP38 constateerden we rap dat een PowerBar Shot gewoon een soort winegum is en makkelijk in het verkeerde keelgat schiet als je rent, en dat we het punt verkeerd hadden ingetekend. Vanwege de klassieke fout: het verkeerde van de drie grids op de betreffende kaart gebruikt. Maar het is snel hersteld, en binnen twee minuten vinden we het CP. Alleen een ontbrekende spoorwegovergang, en vijf loden luchtbukskogeltjes, staan nog tussen ons en etappe 3.

Etappe 3

Etappe 3 bestaat uit peilen en tellen. Passen en kompassen.
(klik om de hele kaart te openen)
niet_CP43
Groen: de juiste route. Rood: onze interpretatie. Terwijl juiste vooral de afstand van het eerste been vanaf CP42 lastig te schatten was vanwege de knik in de weg, maken we de grootste fout in de koers.

Als we echter de enveloppe van etappe drie openmaken nemen we een verkeerde beslissing. Inmiddels zijn er nog een paar teams het clubhuis binnen gekomen, maar dat zorgt niet voor tijdsdruk. Integendeel. We gaan op ons gemak kijken hoe we de peilingen op de beschikbare kaarten kunnen tekenen, rekenen de schalen om, en constateren dan pas dat het uiteindelijk veldwerk wordt. Maar, dat is het gekke, dan zijn we al ruim een kwartier verder. Het heeft wel enig nut gehad: nu staan de kompaskoersen vast exact op het blad met de bol-pijl route, weten we dat sommige punten op de satellietfoto afgebeeld staan, en, omdat we de eerste peiling van 210 meter tussen clubhuis en kruispunt kennen, kunnen we mooi exact onze paslengte lopend en rennend kalibreren. En dat blijkt goed te werken. Althans, bij de eerste paar punten. Zodra de weg tijdens een been van de peiling een knik maakt klopt de schatting niet meer, en bovendien staat er een boerderij op de line-of-sight zodat ook de peiling niet goed lukt. We schatten dat we ergens uit moeten komen, maken de 2e peiling naar CP43, en vinden daar niets. Als die eerste afstand nou eens te krap was ingeschat? (En dat was ook zo.) Dan moeten we nog iets verder naar het oosten. Weldra vinden we daar een CP, en volstrekt tevreden gaan we door naar CP44  en CP45. Omdat CP44 op de luchtfoto herkenbaar is controleren we de afstand en koers daarheen niet, en zijn ons nog steeds van geen fout bewust. Achteraf is het verschil zo duidelijk op de kaart te zien dat je niet snapt dat dit mis ging, zeker omdat de koers zo veel afwijkt. Omdraaien terugpeilen vanaf het knikpunt had zeker de fout kunnen voorkomen; maar ook zelfs misschien als we vanuit CP44 terug hadden gekeken. Misschien voelden we de hete adem van de achtervolgende teams in onze nekken.

etappe 3
Het Roadbook van etappe 3.

CP45 was makkelijk, CP46 weer een lastige vanwege ontbrekend zicht, en CP47, CP48 en CP48a waren weer eenvoudig. Maar wat we wel van onze tweede fout, en de verloren tijd bij CP47, leren, is dat we dit soort peilingen nauwkeuriger moeten uitvoeren, controleren, en misschien zelfs een echte dead reckoning berekening maken op de zakjapanner. Een aandachtspuntje…

Etappe 4

Met verkleumde vingers tekenen we nog een stuk of wat CP’s in op de kaart. M’n ultralightweight tekenbord komt weer uitstekend van pas.
etappe 4
Het Roadbook van etappe 4.

Dan steekt de wind op. Het wordt koud. Bij CP49, waar we de kaarten van de vierde en laatste etappe krijgen, is wel een (prehistorische) hut, maar het is veel te donker binnen om daar te tekenen. Een half uur lang zitten we met verkleumde vingers op een houten trappetje van een kippenhok, met iets verderop inmiddels nog twee volgende teams, die ook aan het intekenen zijn. Ook dit keer weer kaarten met afwijkende schalen, verschillende coördinatensystemen, onlogische volgordes, en ontbrekende indices bij sommige gridlijnen. En dus moet er weer gerekend, geconstrueerd en gepuzzeld worden. Onheilspellend is dat er van de twee opzettelijke witte plekken op de kaart, er maar eentje een CP ingetekend krijgt. Dat kan haast niet kloppen. Double-check.

Witte plekken op de kaart. Dan kan je nog zou nauwkeurig projecteren, maar het laat niet exact zien waar je moet zijn. Een vals CP dat er 30 meter naast ligt is dan snel voor waar aangenomen.
(klik om de hele kaart te openen)

Als we klaar zijn en weer op pad gaan vertrekt het volgende team vrijwel direct ook. Samen gaan we naar het volgende, nabijgelegen, CP55, maar op weg naar CP50, dat volgens ons toch echt een logische volgende bestemming is, gaan ze een andere kant op. Vreemd. Nou ja, via kale akkers en schrikdraad komen we bij CP51, een CP onder een afdakje, en na nog wat overklimbare hekken stranden we voor een hoog hek met prikkeldraad, tussen ons en CP52. Het kan niet de bedoeling zijn dat we daar over klimmen. Toch? Fout ingetekend? Ook niet. Dan maar doorlopen. Het volgend team even verderop verdwijnt opeens linksaf, waar kennelijk toch een doorgang is. We volgen, maar zien ze niet meer. Wel vinden we CP52, via een tourniquet.

De daaropvolgende aanwijzing ligt onder paal #15. Gelukkig weten we nog welke paal #14 is, en zo kunnen we er direct heen rennen. Daar staat dat CP54 op 86 meter en 168 graden ligt. Het andere team is weer bij ons, en roept hardop “186 meter”.  Ook goed. Wat zij willen. We noteren het CP nummer op 86 meter, roepen dat dat nog lang geen 186 meter is, en gaan vrolijk met ze mee naar de plek waar niets ligt, om na een minuut te besluiten dat we “het wel weten en verder gaan”. Zij zoeken nog even door, want het CP moet daar ergens zijn, want wij weten het immers. Na CP53, een kuil, en CP56, een boom, ook makkelijk, maken we onze derde, en tevens laatste fout van de dag. Een projectie over een lange afstand, 600 meter in dit geval, levert bij een onnauwkeurigheid van 2°, wat ook niet geheel ondenkbaar is, al een miswijzing van 20 meter op. Dat lijkt niet veel, maar achteraf blijkt dat daar elke 30 meter een vals CP hing, wat dus nauwelijks meetbaar is. Wij lopen prompt tegen het meest in het oog springende blauwe kaartje in de hoek van het veld aan, en gaan blij verder.

De laatste kaart, waarop het woord “finish” prijkt: eindelijk!
(klik om de hele kaart te openen)

Nog maar een paar te gaan, en we zijn op de terugweg. Een CP op een steil pad, op de kaart halverwege een helling (dat bijna onderaan blijkt te hangen), en eentje onder een boom in een zandgeul die ontbreekt op de kaart en alleen door passen tellen gevonden wordt, zorgen voor nog wat vertraging. Maar we vinden ze uiteindelijk. Over CP61, CP60 en CP62 valt niet veel te zeggen. Maar het wordt wel donker, en daarmee zijn de CP-kaartjes steeds lastiger te vinden. CP63 zorgt voor twijfel. Waren we daar niet al geweest? Hetzelfde CP controle getal, zou dat kloppen? Is dit een soort CP30-deja-vu? Of hebben we een fout gemaakt? Het blijkt het laatste, maar deze keer, in etappe 4, moet hij wel kloppen. We zijn te uitgeput om ons er nog druk om te maken. Bij CP64 komen de zaklampen tevoorschijn. CP65 wordt onder een paaltje gevonden (zou iemand anders deze spotten?), en voor CP67 moeten we een spoorlijn en een hek passeren. Het lijkt even zoeken, maar net op dat moment gaan de spoorbomen knipperen omdat er een trein aan komt, en zo vinden we het met gemak. Het hek bij 67 gaat gewoon open, terwijl we in de verte, zo rond CP63, een hoofdlampje uit het bos zien komen. Dat is nog bijna een kilometer achter ons, maar toch voelt het als opgejaagd, zodat we het laatste stuk tot de finish weer flink doorrennen.

Finish

Midwinterrun2014_klein
Bekijk onze complete route door op de afbeelding te klikken.

En zo komen we net voor 18:00 binnen, op de valreep zonder strafminuten. Want elke minuut dat we vòòr zes uur eindigen levert punt 1 bonus, maar elke minuut ná 6 kost 2 strafpunten. Tenslotte moeten we nog een keertje schieten, maar ook dat is weer allemaal raak.

Een paar teams waren al binnen, maar al gauw verschijnen uit het donker ook de meeste andere teams. Op zich opvallend, want ook met 2 strafpunten per minuut, levert elk gevonden CP 30 punten op, en mag dus 15 minuten kosten. 67 posten in 9½ uur betekent gemiddeld 7 per uur, en dus 8½ minuut per post. In dat tempo kan je dus nog gemiddeld 13×7 = bijna 100 punten scoren in dat laatste uur.

Maar daar was het op dit tijdstip, met zoveel kilometers in de benen vast niet meer om te doen. Een heerlijke warme dampende Chinees lonkte, en frisse biertjes. En zo sloten we met zijn allen, onder het houden van stoere verhalen over onze ontberingen, nagenietend van de mooie tocht, het evenement af. Nou ja, bijna, want er volgde nog een prijsuitreiking die me nog lang zal heugen.

De uitslag

Spannend! We hadden alle posten aangedaan, en waren net voor zessen binnen. Maar dat zegt niet veel. Die paar minuten voorsprong of achterstand op het eind betekenen namelijk bijna niets. Het gaat om de strafpunten voor niet gevonden, maar vooral valse en foutieve posten. Dat maakt het verschil. Kijk maar naar de uitslag hier onder. We kwamen 13 minuten voor de #2 binnen, Menno en Ruud, maar het verschil in de score is 181 punten, ruim “drie uur”. Zo gaat dat bij een Midwinterrun. Maar dat neemt niet weg dat de andere teams er vast net zo genoten hebben als wij! Wat ook te lezen valt in de verslagen van team  Horse and Brainpower en team Survival of de Crows.

Maar om een lang verhaal kort te maken: we hebben gewonnen!

big_32416434_0_1000-602[1]
De uitslag zoals die op de site van Chickenpower werd gepubliceerd. De kolom “plek: stand” is de tijd in minuten, inclusief strafminuten, ten opzichte van de deadline van 18:00. In de kolom ET1 zit ook de score van het schieten verwerkt.
Na een paar dagen werd ook de uitslag per team en per CP gepubliceerd door ChickenPower. En dat leent zich dan weer voor wat leuke statistische beschouwingen.

Om een gevoel te krijgen voor onze fouten: het verkeerde huisnummer was stom, want ruim 80% (van de 61% die het überhaupt vond) had deze wel goed. Maar de 2e fout, CP43, werd door 91% gemaakt, en het 3e CP dat we fout hadden, was zelfs door niemand goed beantwoord. Maar goed, de meeste teams haakten dan ook ongeveer na CP50 af. CP16 en CP27 daarentegen, die meer dan de helft van de teams fout deden, hadden we goed.
Opvallend is ook dat de teams die minder CP’s wisten te bezoeken, ook nog eens relatief meer fouten maakten. Er lijkt zelfs een verband te bestaan tussen de schiet-score. Zou de hele MWR een kwestie van goede ogen zijn?
Het ligt voor de hand dat de totaalscore beter (= lager) wordt, naarmate een team meer CP’s gevonden heeft. Er zijn meer factoren, maar die lijken ondergeschikt als je het zo bekijkt.
Er is geen relatie tussen de eindtijd en het aantal gevonden punten. Maar goed, iedereen mikte op omstreeks 18:00 binnenkomen, los van of ze alle CP’s gehad hadden.
Als je echter de gemiddelde tijd uitrekent dat elk team over één CP deed, valt op dat het relatieve aantal fouten ook toeneemt. Dat is vreemd. Of is het zo dat de iets langzamere teams vooral meer tijd kwijt zijn met lopen, maar niet langer of uitgebreider zoeken? Ze zouden juist daardoor iets beter kunnen scoren. Aan de andere kant, 1 minuut langer zoeken levert misschien 1 fout minder op, maar kost wel weer een uur op de hele route. En dat is ook wat een fout ongeveer kost.
Iets soortgelijks zie je terug in de relatie tussen het aantal gevonden CP’s en het aantal fouten. Wellicht betekent minder fouten dat je beter zoekt, en daarmee dus ook meer vindt, en sneller door kan naar het volgende punt. Alleen vind ik dat een enge redenering.
Wat voor de hand ligt, maar minder doorslaggevend blijkt dan je zou verwachten, is dat wie minder fouten maakt een betere (= lagere) totaalscore behaalt. Toch is het aantal gevonden CP’s van groter belang. Een fout CP staat grofweg gelijk aan twee CP’s minder vinden of aflopen. En omdat het gemiddeld aantal fouten (2.4) dat men maakte veel kleiner is dan het gemiddeld aantal gevonden posten (40), zie je dat minder duidelijk terug in het eindresultaat.

Conclusie

Het was weer een geweldige dag en tocht. Toch heel anders dan bijvoorbeeld de WOR (zie mijn verhalen van 2012 en 2013), maar ook dan de Midwinterrun van 2013. Er zat dit keer méér in:

  • meer kilometers met name,
  • maar ook de schietopdrachten,
  • de logicaopdracht bij de start,
  • meer in te tekenen CP’s.

Maar ook minder, zoals

  • minder sneeuw (nou, zeg, dat kan je toch plannen!? – het levert zulke mooie foto’s op)
  • geen water of andere avontuurlijke hindernis (en dus ook minder stoere verhalen voor later)
  • geen memorisatie-opdracht (van de gedachte er aan werd ik wel een tikkeltje nerveus)
  • geen actie-foto’s onderweg

Maar dat houdt het afwisselend en interessant. Alleen mistenwe  sommige elementen wel een beetje, wellicht ook omdat we daar op min of meer op gerekend hadden. Eerlijk gezegd hoeven er van de kilometers volgend jaar niet méér in te zitten.

 Analyse

Ik kan het nooit laten om achteraf nog eens te bekijken hoe het ging. Daarvoor droegen we een GPS-hardloop horloge en een tracklogger, die achteraf verteld wanneer we waar hoe hoe hard liepen en hoe hoog we zaten. Tijdens het lopen heb je er niets aan, maar dat zou ook niet leuk zijn. Hiermee kan ik na afloop onze route op de diverse kaarten plotten, bijvoorbeeld met OziExplorer of Mapsource, maar ik gebruik in dit geval liever QuickRoute. Zo kan ik makkelijk de tijden van de losse deeltrajecten bekijken, en zien hoe lang we hebben lopen dralen rond elk CP. En op die manier kom ik tot het volgende overzicht:

Tijdsverdeling

Ongeveer 1/3 van de tijd hebben we gerend (meestal rond de 5’15″/km, soms 30″/km sneller of langzamer), ook 1/3 stonden we stil, en de rest was een snelheid er tussen in, ofwel wandelend, ofwel zoeken naar een CP.

tijdverdeling
Hie zie je hoeveel tijd we waarmee bezig zijn geweest. De meeste tijd hebben we bewogen, en daar het meeste van hebben we gerend, maar dat was minder dan de helft van de duur van de tocht.

In de diagram hier boven valt wel op hoe ontzettend veel tijd we kwijt waren met intekenen op de kaart. Dat is echt iets dat veel sneller moet kunnen. Twee uur zoeken klinkt veel (ik heb de tijd bepaald dat we rond de CP’s bewogen), maar met 67 posten is dat minder dan 2 minuten per punt. Soms zagen we het CP-kaartje hangen in het voorbijgaan, maar soms kostte het meer dan 5 minuten.

Tempo

Uit het de snelheidsverdeling over de tijd kan je halen dat we ongeveer 1/3 hebben stilgestaan of langzaam hebben gelopen, 1/3 met een fors temp van 5 min/km hebben gelopen, en de rest iets daar tussenin. Bij een normale oriëntatieloop sta ik tussen 6 en 9 % stil. Maar nu moest er ingetekend worden, uiteraard.

snelheidshistogram
Histogram van onze snelheid, verdeeld in intervallen van 2 minuten. Elk balkje geeft de tijd weer zolang we een snelheid binnen dat interval liepen. De grote groene zegt dat we 31% van de tijd tussen 4:00 en 6:00 min/km liepen, en de rode dat we 33% van de tijd langzamer liepen dan 28 ‘/km.

Per etappe heb ik nog eens de tijd uitgesplitst die we bezig waren met tekenen, zoeken, en lopen. En de verloren tijd vanwege “externe factoren”. Wat overblijft is de tijd dat we liepen of renden, en dat levert, met onze afstand per etappe, een gemiddelde snelheid en temp op. Dat valt, zeker in de eerste etappe, zeker niet tegen. In de derde ging het een stuk trager, maar dat kwam vooral vanwege de extra moeilijkheidsgraad. Tevoren intekenen op de kaart betekent dat je de rest van de etappe dóór kan lopen, maar juist bij de peilingen was dat niet het geval.

 etappe intekenen
(min)
zoektijd
(min)
extra vertraging afstand gelopen
(km)
tijd gelopen tempo
(min/km)
snelheid
(km/u)
 1 8+25+3 26 5 minuten praten met de jagers rond CP8 en CP13 19.1 1:49  5’37”  10.7
 2 19+1 34 3 minuten zoeken naar een dubbel CP30 15.5 1:41  6’21”  9.4
 3 18 23 6.5 0:54  8’15”  7.3
 4 29+1 23 11.8 1:23  6’48”  8.8
 totaal 1:44 1:46 52.9 5:40  6’25”  9.4

Afstand

Als ik onze afstanden vergelijk met de “snelste” route (niet in vogelvlucht, maar wat we idealiter gelopen zouden hebben), zie je dat we vooral in etappe 1 de extra kilometers hebben gemaakt, en de rest is wat kruimelwerk vanwege zoeken en verkennen.

afstandverdeling
Verdeling van de afstand die we sneller dan 8 km/u liepen, en welke we langzamer liepen. We hebben bijna een hele marathon echt gerend. En daarbij nog eens 12.2 km gelopen. Waarvan de helft schat ik in kleine rondjes rond bomen en kruispunten.

Per etappe heb ik gekeken wat we verloren hebben. Als ik daar de substantiële stukken vanaf trek houd je het kruimelwerk over. En dat is ook niet gering.

 etappe gelopen afstand snelste afstand opmerking
 1 19.1 km 13.4 km 800 meter kostte het ommetje langs CP12 dat er helemaal niet was (wat we stiekem wisten), 200 meter bij CP7, en 2.8 km als we niet nog een keer langs CP1 waren gelopen (wat ook in 2 km had gekund achteraf). Twee kilometer hebben we dus geslingerd onderweg, zoekend naar blauwe kaartjes.
 2 15.5 km 12.2 km Als de de 8 van CP30 gewoon hadden ingevuld en niet nog eens zouden zijn gaan kijken, had dat 200 meter gescheeld. En nog 300 meter op het end, als we van onze kaart af waren gelopen en de noordelijker overweg hadden genomen. De overige 2.8 km zijn dus cirkelen en zoeken geweest, naar met name CP26 en CP27, en een kilometer bij de overige punten..
 3 6.5 km 5.8 km Ruim 600 meter hebben we extra gelopen op zoek naar CP46, een been van slechts 303 meter.
 4 11.8 km 11.5 km 600 meter hadden we kunnen besparen door op weg naar CP52 over het prikkeldraadhek te klimmen. En nog 200 meter elders. Dus deze etappe was helemaal volgens PAR.
 totaal 52.9 km 42.7 km

Je kan dus stellen dat we onderweg een kilometer of 5 meer hebben gelopen dan wanneer we de locatie van de kaartjes op voorhand hadden gekend, en bijna 6 kilometer vanwege foutjes en andere beslissingen die achteraf niet nodig waren geweest. Idealiter waren 53 km er maar 42 geweest, maar ja, als je 68 minuscule blauwe kaartjes aan de achterkant van bomen zoekt waarvan je op ±15 meter nauwkeurig de locatie kent, loop je 6.5 km in rondjes van 125 meter. Dan hebben we het toch niet slecht gedaan. En het is goed om bewust van te zijn als je zo’n run uitzet, hoeveel er aan loopafstand bij komt per CP, bovenop de snelste route.

Verbeterpuntjes

Volgend jaar nog beter? Dan moeten we minder tekentijd besteden, en slimmer intekenen. Veel fouten hebben we niet gemaakt bij het tekenen, maar toch een slordigheidje dat 60 strafpunten heeft gekost. Hoeveel meer fouten als we twee keer zo snel zouden hebben gewerkt? Ergens ligt een optimum, dus we moeten vooral slimmer de punten uitzetten.

En noteren waar een standaard CP en waar iets anders gevonden moet worden. Dat had ons het debacle bij CP1 bespaard.

Verder kunnen we projecties zonder dat er een kaart bij hoort beter gewoon lopen en niet peilen. Maar wel in segmenten werken als het niet in één keer kan, en goed bijhouden of uitrekenen waar we zijn.

Een CP30 is natuurlijk zonde. Daar hadden we nooit dubbel, of eigenlijk zelf drie maal, naar hoeven zoeken.

En we moeten nog wat beter de opmerkingen briefing verwerken. Schijnt een fout die meer teams maken, overigens.

Spullen

Omdat ik vast nog een keer ga meedoen, som ik mijn inventaris van dit keer op (zodat ik volgend jaar binnen 5 minuten mijn tas kan pakken):

  • hardloop-rugzak met daar in
    • een drinkwaterzak met 1.7 liter water
    • 2 Snickers
    • 2 muesli repen van AH, m
    • PowerBar Shot (10 winegums voor de prijs van 100)
    • PowerBar Hydro Gel (een lik appestroop)
    • lineaal
    • meetlint
    • rekenmachine
    • reserve potlood, stift en geodriehoek
    • thermo deken
    • ID
    • geld
    • EHBO spul als pleisters en tape
    • toiletpapier
    • nood-poncho (voor als het ging regenen)
    • ASML windjack (voor als het ging waaien)
    • Icebreaker mutsje (voor als het ging vriezen)
    • HH thermo-handschoenen (voor als het ging sneeuwen en we sneeuwballen moesten gooien)
    • Philips 3W LED zaklamp (voor als het donker werd)
    • telefoon (voor als het later werd)
    • GPS tracklogger

    en aan de buitenkant:

    • potlood aan een touwtje
    • fluitje (aan een touwtje)
    • geodriehoek met afgevijlde hoeken (aan een touwtje)
    • watervaste stift aan een zipper
    • rekenmachientje (aan een touwtje)
    • Recta peilkompas (aan een touwtje)
    • druivensuiker
  • plastic kaarthoes, met daarin
    • lichtgewicht plankje om kaarten vlak te houden
    • kaart-roemer (beperkt functioneel, want de schaal is arbitrair)
    • klemmetje om zaakje bij elkaar te houden
    • velletje voor aantekeningen, met omrekeningen graden/minuten/seconden per meter en omgekeerd, hoek UTM vs. RD, etc.
  • Silva duimkompas
  • Hardloophorloge
  • en om aan te trekken
    • Inov-8 ROCLITE 285 schoenen (zonder spikes maar met noppen)
    • Nike lange hardloopbroek
    • Moose sokken
    • Kraft thermo shirt met lange mouwen
    • Nike tuned fleece

     

Ten slotte kan je alle kaarten van ons team vinden op mijn Digital Orienteering Map Archive. En de route langs de “juiste” CP’s kan je hier op de site van Leo Slütter bekijken. En hierna? Misschien wel de N8-run.

Achterlopen (ook een sport?)

Ik loop wat achter. Ingehaald door mezelf, en toch voelt het niet als voorop. Maar ik ga het goed maken. Boven aan deze pagina staat terwijl ik aan het typen ben:29-12-2013 21-24-32 Het lijkt wel het uitzetten van een oriëntatieloop, maar dat is het niet. Ik ga even alle verhaaltjes typen die ik niet heb geschreven dit jaar. In vogelvlucht. Een soort jaaroverzicht, vanaf de zomer.
Want het jaar begon ik gewoon met een verslagje van de Sylvester, waar ik een keer eerste werd, de Jenevercross (die zijn naam eer aan deed bij de finish), de Genneperparkenloop vlak bij huis, en een lang verhaal over de Midwinterrun. Lange vehalen zijn leuk, ook om te schrijven, maar ik wil mezelf daarna altijd weer overtreffen, en nog meer en leuker schrijven, wat de drempel om er aan te beginnen hoger maakt, met als gevolg op een gegeven moment een writers block. Dat moet je niet hebben.

Tussendoor wat niemendalletjes over draaiende Aardes en onlogische polen, nieuwe schoenen en  fouten in SI splits. Maar verder gewoon verslagjes van nachtomlopen (en * en **), trainingen, dag- en avondomlopen. Bijzonderheden waren mijn ervaringen van mijn eerste baanlegging en kaartcorrectie, publieke excuses voor een verkeerd geplaatste post bij de driedaagse, en het uitgebreide verslag van de WOR3. Maar dan heb je het wel zo’n beetje gehad.

Als je dan echter in mijn digitale kaarten archief van dit jaar kijkt, zie je dat er veel meer gelopen werd, dan geblogd.

Zo was er de ROM (day 2) in maart, waar ik nog twee headcam videos van heb gemaakt, op normale snelheid, en 10x versneld. Samen toch 250 keer bekeken tot nu toe. Ik herinner me vooral de lengte van de loop, die des te groter leek omdat je bij de kaartwissel voor een tweede keer de start passeerde. En het meertje dat links- dan wel rechtsom gepasseerd kon worden.

Militaire wedstrijden zijn altijd handig te plannen. Geen conflicten met hockeywedstrijden, zwemlessen, en andere familiaire vrijetijdsbestedingen, maar gewoon een kwestie van de Outlook agenda volplannen en een paar vakantie-uren opnemen. Ik had mijn camera-tje weer meegenomen, maar die bleek in de foto- en niet de film-stand te staan. Schitterende plaatjes, van De Zwarte Weg, maar verder niet zo bruikbaar. Het blijft een leuk gebied om te lopen, met veel afwisseling, enorme open vlaktes, en oude loopgraven. Als ik naar de kaart kijk ging het behoorlijk goed, alleen elke 11e post maakte ik een flinke fout. Misschien had ik nog harder kunnen lopen, en ik denk dat er soms iets betere routekeuzes te maken waren geweest, maar over het algemeen was ik goed in vorm.

Een van mijn laatste lopen voor de zomer was de eerste avond van onze club-3-daagse, De 3-Daagse van Brabant. Een mooi evenement, maar helaas had ik last van een opkomende blessure aan mijn knie en heup die doorzette. Fysio er bij, voorzichtig trainen, maar het leek hardnekkig. Tijdens de zomervakantie in de Oostenrijkse Alpen veel gelopen, en wonderwel hersteld. Ik trok de conclusie dat het voornamelijk werd veroorzaakt door niet-lopen. Of te licht. Juist het bikkelwerk in de bergen deed mij goed. En het was juist ontstaan toen ik half april en mei weinig had georiënteerd.  Les 1: vaak rennen, en hard ook, en alles komt goed. Mooie les. Houd ik me graag aan.

Na de zomervakantie vloog ik voor een paar weken naar San Diego. Werk. Ik mailde de San Diego Orienteering Club nog of daar wat te oriënteren viel, maar helaas was er in de na-zomer niet veel te doen. Het werd dus vooral golfsurfen en rondjes rond het hotel rennen, onderweg een paar geocaches oppikkend.

Toen ik terug kwam viel ik met de neus in de boter: vlak naast mijn werk werd dag 1 van de 3-daagse van Limburg georganiseerd. Op de fiets er heen, en terug, en tussendoor de oriëntatie-draad weer op kunnen pikken en en passant een paaltje branden (dat betekent: een 1e plek lopen; ja, in categorie LD en niet H40, ik weet het, maar toch…) Ik ging snel, en maakte weinig fouten. Concentratie, kennelijk, al was mijn jet-lag voor mijn gevoel nog niet over. Maar dit was de eerste loop na het herstel van mijn knieblessure. En die ging helemaal goed, dus dat smaakte naar meer.

Anderhalve week later ging ik naar een zomerwedstrijd, net over de grens. Ook een heel leuk terrein, waar ik al eerder was geweest. Eén post van toen herinnerde ik me nog, een post midden op een dijkje in een moeras. Dat bleek nu post 1 te zijn, en prompt liep ik er voorbij, alvorens alsnog natte voeten te halen. De rest was veel heuveltjes beklimmen, van verlaten opslagplaatsen, en door dicht gegroeide plukken gewas rennen. Ik herinner me dat halverwege Yannick Michiels, de Belgische nummer 1, mee voorbij kwam. Ik dacht hem wel even bij te kunnen houden, maar wat een ongelooflijke snelheid weet hij te bereiken door dat ruwe terrein. Het leek wel als of ik probeerde al hordenlopend een rennend hert bij te houden. Net voor het donker werd bereikte ik de finish. Een paar foutjes gemaakt, die op deze relatief korte loop relatief veel tijd hadden gekost.

De laatste loop voordat ik weer naar San Diego zou vertrekken was een klassieker, in de zin dat ik daar vorig jaar ook was geweest rond dezelfde tijd. Toen was het, met dik 35 graden, de warmste dag van het jaar, en bleek ik, misschien mede daardoor, de snelste op omloop 1. Niet alleen in mijn eigen leeftijdscategorie. Dit keer ging het wat minder, vooral vanwege een paar joekels van fouten. Opvallend was dat ik die in eerste instantie vooral maakte als ik achter iemand anders of net er voor liep; met andere woorden, als ik wat extra spanning voelde. Kennelijk ben ik wat minder stress bestendig, iets om aan te werken.

Weer terug in Nederland begon het trainen voor de Halve Marathon van Eindhoven, een jaarlijks terugkerende happening. Vorig jaar had ik daar 1:27 gelopen, en nu moest ik natuurlijk sneller. Maar alle business trips hielpen daar niet bij, met weinig tijd om te trainen, vermoeiende reizen, en andere dingen die aandacht vroegen. Om toch wat kilometers te maken besloot ik 2 etappes van de Rik Thys Wisselbeker voor mijn rekening te nemen. Twee borstnummer monteerde ik op mijn shirt, die met het losmaken van één veiligheidsspeld omklapten zodra ik voor de eerste keer de finish/start passeerde. Men kon er wel om lachen. Helaas snapte de score software er niets van dat er twee Jan-Gerards waren met verschillende EMITs, zodat ik nu 01:50 over 1 ronde gedaan leek te hebben, en 1 keer did not finish achter mijn naam kreeg; ik had me beter als Jan en als Gerard kunnen laten registreren. Maar ja, het was wel leuk.

Toen volgde de ½ Marathon. Met een keelontsteking op komst en zonder al te veel trainen lukte het niet onder de 1:30 te komen, maar ik bleef wel onder de 1:33:47, waar ik eigenlijk dik tevreden mee was. Basisconditie.

Een week later was er weer een militaire wedstrijd. Een terrein dat ik nog niet kende, en als ik nu de kaart weer zie valt op hoe open het was, alhoewel ik in mijn herinnering toch nog aardig wat door bos heb gelopen. Er zaten een paar hele zware stukken tussen, met schijnbaar vlak open terrein, maar tussen de pollen heide kuilen vol water van ruim een meter diep. Ik heb tot twee keer toe onverwachts tot aan mijn middel in de de modder gestaan. Achteraf best mooi, maar wel enorm zwaar als je daar juist snelheid wilde maken, en op handen en voeten ploeterend naar de volgende post beweegt. Ik heb achteraf op mijn gemak routes op de kaart getekend, in groen, en die mee gescand. Opvallend dat ik in meer dan de helft van de gevallen iets anders gedaan zou hebben dan ik gedaan heb. Soms zijn de verschillen marginaal, soms meer dan dat. Het tekenen kostte me alleen, denk ik, ruim 10 minuten. Als je dan bedenkt dat ik er ongeveer 65 minuten over liep, en doorgaans gemiddeld 6-8 % van mijn tijd stil blijk te staan volgens m’n GPS, wat neer komt op 5 minuten kaartlezen, had ik die 5 minuten extra moeten compenseren door betere routekeuzes.  En dat denk ik dat het hier niet had gescheeld, want ik heb dit keer eigenlijk geen grote fouten gemaakt. De routekeuzes waren dus vooral ‘iets korter’ of ‘iets sneller’, maar niet heel veel beter. Het is natuurlijk de vraag of dat altijd op gaat. Ik ga dit eens verder analyseren een volgende keer.

Enkele dagen later, weer een loop, in de buurt, in vergelijkbaar terrein, en bijna net zo nat. Toch een hele andere loop. Niet militair, en behoorlijk ander soort post-plaatsingen. Zo zie je maar weer hoeveel persoonlijks een baanlegger in verwerkt. Maar wat ook scheelt was mijn eigen concentratie, die duidelijk lager was. Opvallend veel fouten, zeker in het begin. Wel waren er veel interessante benen, waar de beste route ook niet op het eerste gezicht duidelijk was. Als ik er een hele pagina aan zou hebben gewijd zou ik uitgebreider naar de Splits hebben gekeken. Iets wat me opviel was dat ik op het eind nog wat over had voor een eindsprint, maar daar eigenlijk pas na de laatste post aan begon. Zou ik dat ook een post eerder kunnen doen? Als ik nou eens elke keer één post meer vóór het eind ga versnellen? Zou best veel schelen, en klinkt te doen. Goed voornemen.

De week daar na deed ik dat dan ook, maar dat ging niet zo goed als gehoopt. Ik liep bij de één-na-laaste post prompt naar de verkeerde vlag. De rest ging redelijk voorspoedig, alhoewel er ook een paar grove blunders waren. Ik liep hard, laten we het daar op houden, maar de eerste 10 posten duurde het tot ik me voornam de daarop volgende perfect uit te voeren. Toch was het weer zo leuk dat ik niet beter thuis had kunnen blijven.

Twee dagen later was de Valkenloop, in Varkenswaard. Totaal ongepland en dito voorbereid ging ik er heen, met loopmaatje Erwin. Het grootste deel liepen we samen, in het begin aanhakend bij een groepje dat onder de anderhalf uur leek te willen lopen. Te snel gestart? Ik dacht het wel, in eerste instantie, maar als we later zouden hebben willen versnellen was dat vast niet gelukt. Nu hadden we die 20 seconden voorsprong in de pocket, halverwege. Het liep daarna wel wat terug, maar ook weer niet zo heel hard. Op het end kreeg ik het gevoel dat 1:30 te doen zou kunnen zijn, maar ik wist niet precies hoe ver het nog was. En dan op de valreep 1:30:13 lopen, is best een prestatie!

Voorsprong/achterstand ten opzichte van een anderhalf uur loper; ik heb de laatste 100 meter (25 seconden) nog 5 seconden goedgemaakt, maar dat had ik een minuut eerder moeten doen.

396449-lego-mindstorms-ev3Intussen speelden er nog een aantal andere activiteiten in m’n vrije tijd. Ik had voor mijn verjaardag een doos Lego Mindstorms gekregen, die natuurlijk op alle mogelijke manieren uitgeprobeerd moest worden. En voila, er was geen tijd meer om te bloggen. Zeker toen een maand later mijn werkgever een wedstrijd uitschreef, de Techno Challenge 2013, waarvoor we met een team van 8 man een robot moesten ontwikkelen, ontwerpen, bouwen, en programmeren die de uitweg uit een doolhof van spiegels, hoekjes, klapdeurtjes, en glazen wanden kon vinden, en vervolgens ballen verzamelen om die in de juiste doelen te schieten, en dat binnen een bepaalde tijd. Met nog 11 teams als tegenstanders, die eveneens met uiterst creatieve maar ook totaal verschillende oplossingen kwamen, werd onze The 8-Team bot de winnaar.

gripper_animation_smalldeploy_arm_small

sensor_arm_smallDaar zijn wat avonden knutselen in gaan zitten. Maar het resultaat mocht er zijn. En bovendien heb ik er veel van geleerd: hoe je met de Mindstorms software iets functioneels bouwt, hoe studless Lego Technic werkt (in tegenstelling tot de oude vertrouwde balken met gaten èn noppen die ik van vroeger kende), maar vooral hoe een team van 8 over-enthousiaste techneuten functioneert.

31-12-2013 00-16-06Dat was in dezelfde maand dat de 2e Codebreakers.eu competitie werd gehouden. Twee jaar geleden had ons team een finaleplaats weten te bemachtigen. Dit keer verliepen de zeven avondvullende rondes van zenuwslopend decoderen nog voorspoediger, en de avond voor de Techno Challenge wonnen we de finale van Codebreakers met bijna 24 uur voorsprong -zou later blijken- op het 2e team. We waren het nog niet verleerd! Het leuke was dat er gebruik was gemaakt van weliswaar simpele, maar tegelijkertijd relatief onbekende encryptie technieken, zodat er geen kant-en-klare off- of online tooltjes bestonden om ze te kraken. Nu maar wachten op  een telefoontje van de AIVD. Of de NOLB? Want het was natuurlijk een kwestie van de kortste route naar de oplossing vinden. En bewandelen.

pakpapier21En direct daarop volgde de race tegen de klok om mijn jaarlijkse Sinterklaascache te verzinnen. Was het vier jaar terug een rijmend gedicht, drie jaar terug een ‘kleurplaat‘ van Amerigo, twee jaar terug een serie gekleurde cadeaus, en vorig jaar een serie pakjesavondgedichten (die soms ook over oriëntatielopen gingen), dit jaar werd het een eenvoudige knutselopgave: een pakje dat ingepakt moest worden. Maar uiteraard had ik de randvoorwaarden zo gekozen dat dat maar op één manier kon, en dat pas dan de cijfers van het eindcoördinaat te lezen waren. Het bleek nog niet zo makkelijk. Om op te lossen, maar ook niet om het te verzinnen.

achelse_kluis_blond_[1]Ten slotte stond er nog een voornemen open, om dit jaar, in 2013, rennend van huis uit België aan te tikken. Hashtag #aantiktrail was geboren, en werd nog waar gemaakt ook. Zondag 22 december liep ik met Erwin naar de Achelse Kluis, tikte het hek van het klooster aan, en rende naar huis terug. Dik 30 km aan een stuk, over een schitterende route. Via Varkenswaard, over de Malpie heen, en langs de Hasselvennen (hebben die iets met Pluk van de Petteflet te maken?) door het Leenderbos en langs de Grote Heide terug. Zou er ooit nog een marathon in het verschiet liggen?

Maar in dezelfde periode waren er ook nog een paar oriëntatielopen, zoals de nacht OL in de Congobossen. Uiterst ongeconcentreerd liep ik weliswaar niet in zeven sloten tegelijk, maar wel in één (net als vorig jaar), zocht geruime tijd naar diverse posten, en werd ingehaald door wandelaars. Typisch een kwestie van nacht-oriënteren op dag-tempo. Dat gaat toch niet goed bij mij. Er zijn er die dat kunnen, maar ik moet me kennelijk toch wat inhouden. Eén van de dingen die ik verkeerd doe is dat ik dikwijls, vanwege beperkt zicht, op kompas ga lopen, zonder daarbij exact te peilen, en de naald in de gaten te houden. Zonder goed aan de hand van het terrein te her-calibreren is precies peilen een must. En daar komt bij dat in het donker het lopen op een in-de-verte gepeild punt niet mogelijk is, zodat je al snel aanzienlijk gaat driften. Het gevolg is dat ik vaak posten miste, wat ontaardde in zoeken. Verstandiger lijkt het om in de regel paden of andere lijnkenmerken te volgen, tenzij er duidelijke opvanglijnen zijn. En om nog zekerder aanvalspunten te kiezen, ook al betekent dat soms meer meters. Maar dat verdient zich uiteindelijk terug in tijd, en waarschijnlijk ook in afstand. Voor de volgende keer…

Ook was er in november de KOVZ Klompen OL. Ik had weer een presentatie voor nieuwsgierige collega’s gehouden in de week tevoren, en er verschenen dan ook 8 man (en vrouw) van ASML aan de start. Ik startte zelf vrij vroeg, zodat ik ook nog zelf bij de startpost kon helpen naderhand. Er liepen zo vroeg nog geen cacherspaadjes tussen de posten, maar ik liep redelijk als een streep, het eerste stuk. Tot ik bij een post kwam die tussen twee heuveltjes stond, maar net wat noordelijker dan ik verwachtte. Zou die verkeerd staan? Het zou kunnen, want de voorlopers waren nog niet terug toen ik was vertrokken. Goed kijken, een markering met het -volgens mij- juiste nummer aangebracht, en verder gelopen. Maar 31 meter verderop stond nog een post, en dat was wel de juiste, en bovendien op de juiste plek. Markering weer verwijderd, en, met een paar minuten vertraging, mijn race vervolgd. Toptijd zat er al niet meer in, maar het was onze eigen loop, als club, dus vond ik dat wel verantwoord. Even later ging ik door mijn enkel, maar na een paar minuten wandelen, ging het weer gewoon, en scheurde ik verder. Zeer afwisselend terrein, nu weer zandvlaktes, dan weer heide, dan weer bos. En moeras her en der. Maar ook veel mul zand met heuvels, wat het behoorlijk inspannend maakte. Dit was wel een van de mooiere lopen van het jaar. Dat vond een klein vliegtuigje ook, want bijna bij elke post kwam die over mee heen vliegen. Moet een maf gezicht zijn, om her en der mensen kris-kras door het veld te zien rennen, ogenschijnlijk zonder patroon.

Twee weken terug ten slotte was er weer een nachtloop, de door Yannick Michiels en mede-studenten uitgezette  Thomas More stads-sprint door Turnhout. Onder begeleiding van de bassen van de Red Bull DJ die pal naast de start stond om de boel op te luisteren, racete ik weg, en vergat prompt mijn hoofdlamp aan te doen. De daaropvolgende posten gingen zo snel, dat ik de neutralisatieposten amper opmerkte, en in sprint tempo het park in rende, waarop ik volkomen ging dwalen omdat mijn gevoel voor afstand ineens niet meer klopte. Wie had deze wildernis hier ineens verwacht? Toen ik even later ook nog een brug ontdekte die niet op de kaart stond (hoewel bij de start wel was aangekondigd, maar door mij niet opgemerkt), raakte ik redelijk van de kaart. Concentratie en snelheid zijn complementair. Je kan je zuurstof maar één keer inzetten. Maar ik zou de volgende keer niet langzamer gaan lopen, dus moet ik maar wat aan de concentratie en alertheid doen. Zou snel routeplannen te trainen zijn? Ook dat moet ik maar eens gaan proberen. Ik heb wel wat ideeën.

En er was natuurlijk nog een laatste training van het jaar, met een kaart in kerst-stemming. Geen posten, maar blanco plekken op de kaart. Aanvalspunt kiezen, en peilen. Niet altijd even makkelijk, want ons mooie Bestse Bos was her en der stevig door de houthakkers onder handen genomen. Soms herkende je het niet terug, maar dikwijls was het vooral ondoorloopbaar. Wel een goede training. Toch moet ik eens nagaan welke trainingsvorm specifiek aansluit bij de fouten die ik typisch maak.

De 2e dag van de Sylvester, ten slotte, die heeft al zijn eigen blogpagina gekregen. Misschien maak ik van de headcam video nog een YouTube filmpje, met mee-bewegende kaart. Al was ik dit keer niet zo vaak de bulten op-en-neer gerend als de vorige keer. Toch blijft het leuk om naar te kijken. Maar ik heb even genoeg geschreven om daar ook weer een hele analyse van te maken.

Beste-oliebol-van-Noord-Holland-koopt-u-in-Hoorn[1]Rest me nog een paar van mijn voornemens voor 2014 op te sommen. Als ik dat niet doe heb ik ook niks om me aan te houden. Dus het komen jaar ga ik

  • mijn weblog beter bijhouden (anders ben ik weer twee avonden aan het schrijven om de achterstand in te halen)
  • nu toch echt die workshop digitaal oriënteren houden, over het analyseren van GPS tracks en de bijbehorende software, etc.
  • mijzelf trainen in het vooraf uit m’n hoofd leren van alle controlenummers van de posten onderweg, met het Major System; en daarna ook de postomschrijvingen memoriseren
  • meer #aantiktrails verzinnen (en gaan lopen natuurlijk)
  • een keertje trailrunnen om te zien hoe dat is (en natuurlijk al die trailrunners overtuigen dat dat zóóóó 2013 is, en dat oriëntatielopen de nieuwe sport is)
  • sowieso eens serieus aan de slag gaan met werving, de doelgroepenquete uitwerken, en iets doen met buitensport- en hardloopzaken in de omgeving
  • de oriëntatieloop op de HTC plannen, kaart tekenen, en omlopen ontwerpen
  • mij o-games hoekje op deze site uitbreiden
  • en een praktische training verzinnen het zoeken naar de kortste route op een kaart te versnellen en te verbeteren

Kortom, ik kom 2014 wel door, en er gaat weer een hoop gebeuren. Reken daar maar op.

Hergedefinieerd

Hergedefinieerd word je als Oriënteringsloper door zelf een kaart te maken. ‘t Blijkt meer dan een blik achter de schermen: het is alsof je een wedstrijd compleet binnenstebuiten keert.

Inleiding

Toen Peter mij een maand of drie geleden vroeg om de kaart te maken voor de NC3 op de Grote Heide zuid, kreeg ik een kleur van trots. Ik oriënteer pas 2 jaar, en -al gaat het me zeker niet slecht af- heb niet buitensporig veel ervaring. Maar deze eervolle opdracht nam ik graag aan.

Wat volgde was mezelf twee maanden lang voornemen om “morgen” op pad te gaan, af en toe hardlopen op Grote Heide, en ten slotte twee weken heel hard werken, vele uren op de hei (en in het bos voor zover dat er nog staat), en vaker dan me lief was nachtwerk achter de computer.

Het resultaat was een herziene kaart, en 7 leuke omlopen, al zeg ik het zelf.

Ik ben blij om alle positieve reacties te horen. Eerlijk, er is geen negatieve bij geweest. Eén opmerking was er over een pad dat niet op de kaart stond, maar dat was alles.

Al doende heb ik veel geleerd over de andere kant van de kaart: het perspectief van de kaarttekenaar die op papier tracht te zetten wat hij denkt dat de loper verwacht te zien. En over het leggen van banen met benen die stuk voor stuk tot onvermijdelijke routekeuzes zullen leiden. Wat zijn baanleggers toch schurken! Heerlijk!

Al met al een uiterst waardevolle ervaring, die ik iedereen aan kan raden. Met de juiste begeleiding dan, want zonder hulp van Peter en Adrie was het een regelrechte mislukking geworden. In het verslag hier onder zal ik proberen wat dieper in te gaan op wat ik geleerd heb.

Nuttig

Om succesvol oriënteringsloper te zijn hoef je geen banen gelegd, of een kaart getekend te hebben, maar het helpt wel. Het is niet als de ik persoon in Zen en de Kunst van het Motoronderhoud, (Robert Pirsig, 1974), die meent dat een motorrijder die niet weet hoe de techniek van het ding functioneert vroeg of laat hopeloos verloren strandt. Dat je moet weten, begrijpen hoe het ding werkt om er mee om te kunnen gaan. Anders is het rijden niet echt. En dat maakt dat er twee soorten motorrijders zijn. Zo zijn er ook twee soorten oriënteringslopers: zij die een kaart hebben gemaakt, en zij die dat niet hebben.

Nee, zo zwart-wit is dit natuurlijk niet. Maar het maken van een kaart leert je wel vanuit een ander perspectief te kijken waardoor wat er op de kaart staat in een ander licht komt te staan. En het leggen van een baan leert je op zijn beurt op een heel andere manier naar diezelfde kaart te kijken. Als je snapt, doorziet, hoe je je eigen banen hebt gelegd, zie je ook veel sneller hoe je ze het best beloopt. Trek dat door naar andermans banen, en je hebt de heilige graal van het oriënteren in handen.

Maar laten we ook weer niet overdrijven. De werkelijkheid die de kaart beschrijft is immers ook te aanschouwen zonder benul van het ontstaan van die kaart. En de benen van de baan zijn heel ondubbelzinnig de verbinding tussen telkens twee punten in het terrein. En wat daar tussenin op de kaart ligt is voor iedereen te zien (mits die kaart klopt). Doorzie je snel de juiste route, dan ben je er.

Bovendien geldt de eerste opmerking misschien nog wel sterker de andere kant op: het maken van een kaart leert je niet lopen, maar leert het lopen van een oriënteringsloop (en dat hebben we allemaal wel eens gedaan) je hoe je een kaart maakt, en wat je wel en niet tekent. En snap je hooguit als kaartmakende loper wat de tekortkomingen van een kaart zijn, en aan welke subjectiviteit de totstandkoming onderhevig is. Maar aan de andere kant, leert dat je wel de waarde van termen als perspectief, interpretatie, omstandigheden en relativiteit te betrekken op het lezen van de kaart. Je weet wat te tekenen als je weet wat je als loper wilt zien, maar als loper snap je dat je desondanks keuzes moet maken als je wilt tekenen wat je ziet. En er dus geen uniek juiste kaart is. Maar daarover straks meer.

Werkwijze

Kaart hertekenen

Ik ben begonnen met een bestaande kaart, oorspronkelijk uit 2005. Die heb ik uitgeprint, en ik ben 3 keer vrijblijvend het gebied doorgerend, op zoek naar de grote verschillen, die veel aandacht qua hertekenen zouden vergen, en naar mooie benen en geschikte locaties voor posten.

Het was al snel duidelijk dat het bijwerken van de kaart niet slechts een kwestie was van een lijntje hier en daar, omdat ruim een kwart van het terrein ofwel gekapt was, ofwel open was en nu dichtgegroeid. Waar het toen ruw open was (lichtgeel), blijken nu dichte bossen met dennenboompjes te staan (donkergroen), en witte bossen van toen zijn nu gekapt tot heide met losse bomen, plukjes bos, en grasveldjes. Vennen zijn drooggevallen, moerassen uitgegraven, en dode bomen van toen zijn vervallen tot stof, terwijl andere markante objecten zijn ontstaan. Bij het tekenen blijken er zelfs hoogtelijnen gegroeid te zijn, die er eerst nog niet waren.

Tijd om echt op pad te gaan. Ik heb een aantal gereedschappen geprobeerd. Zo tekende ik op polyestercalquepapier, of op print-outs (in Ocad’s draft mode) van de kaarten op 1:5000 schaal. Met stiften in O-kaart kleuren, of met grijs vulpotlood. Probeerde ik mijn aantekeningen te onthouden, schreef ze in de kantlijn, of op losse vellen kladpapier.

Het beste beviel het om met vulpotlood op calque te tekenen, geplakt over de uitgeprinte bestaande bestaande kaart, met daar onder een A4-tje van plastic golfkarton als stevige ondergrond: licht, waterproof, en stijf. Er ontstond een eigen codering van terreinkleuren en symboliek. Ik zette nummers op de kaart waar meer uitleg vereist was, en schreef in de kantlijn wat de nummers betekenden. Gebruik van verschillende kleuren potloden (ik heb ook vulpotloden in rood, groen en blauw) is toch niet zo praktisch. Waar laat je ze? Gewoon grijs vulpotlood, dat bovendien makkelijk gumt, leek het beste te voldoen. Misschien zijn meerdere verschillende kleuren handig als je met een nog blanco kaart begint.

Wel erg handig zijn een plaatkompas en een schaalverdeling van mijn wandelpassen op de gebruikte kaart. Dat werkt verbluffend nauwkeurig. Wandelpassen blijken een stuk minder afhankelijk van het terrein dan renpassen. Gum is ook praktisch onmisbaar. Het lukt met of zonder calque, maar calque maakt het wel makkelijk om bij het digitaliseren een overzicht van de wijzigingen te krijgen. Wat direct op de kaart is getekend zie je sneller over het hoofd. Wel lastig is het om aan te geven wat moet verdwijnen op de kaart, en tegelijkertijd te tekenen wat er voor in de plaats moet komen, zonder dat het achteraf een onleesbaar zooitje wordt. Misschien moet ik daarvoor mijn tweede kleur potlood/pen gebruiken?

Vervolgens kreeg ik handigheid met Ocad, ook omdat ik Peter een aantal hidden features zag gebruiken, die het leven wel heel erg veraangenamen. Of dat ook allemaal kan in OpenOrienteeringMapper moet nog blijken. En contouren in te voeren blijkt een los touch-tablet met pen wel handig. Om verschillende versies van de kaart te vergelijken is ImageMagick’s compare.exe een handigheidje: plak twee bitmaps van kaarten op dezelfde schaal over elkaar heen, en het verschil licht duidelijk op. Zo kan je ook bijvoorbeeld kleine verschuivingen in routes opsporen.

Ik had gelukkig een bestaande kaart beschikbaar als uitgangspunt. Ik kan me voorstellen dat anders luchtfoto’s en hoogtekaarten veel kunnen helpen, al zijn ze niet altijd up-to-date. Je dient dan ook verschillende bronnen te vergelijken, zoals Google’s, Yahoo’s, en Bing’s satelliet foto’s, op zoek naar de meest recente en bruikbare. Zijn er als vliegers met een camera er onder om snel vanuit de lucht het bos te inspecteren? Of kent iemand toevallig een luchtfotograaf?

Dilemma: beloopbaar of herkenbaar?

Één van mijn dilemma’s bij het tekenen is: teken ik wat te zien is om te herkennen waar je bent, of om de route te plannen tussen de posten? Ligt de focus op het aangeven van de beloopbaarheid of de herkenbaarheid?

Voor punt- of lijnkenmerken op de kaart valt het probleem nog wel mee (afgezien van dat ene stukje bos dat gescheiden wordt van het pad door achtereenvolgens een meter gras, een berm, een slootje, een aarden wal, een hoog hek, een meter ruw open met stukjes onderbegroeiing en en randje dicht bos; en dat alles samen nog geen 10 meter breed -het moest verboden worden-).

Maar bij grotere oppervlakken wordt het lastig. Is een strook dichter bos aan de rand van een wit bos groen van kleur omdat je, als je er staat, ziet dat het anders is dan de rest van het perceel, en je je daarmee kan oriënteren? Of laat je het wit omdat het groene plukjes van hooguit een paar meter breed zijn en je dus tussen die plukjes door op volle snelheid kunt blijven rennen? In de praktijk zal het er van afhangen of je dit specifieke voorbeeld slechts passeert op weg naar een post verderop, of dat je het getekende groen zult gebruiken om een naastgelegen post te lokaliseren. Met andere woorden: of je er grof of fijn loopt te oriënteren. Maar ja, dat is weer voor iedereen en voor elke omloop anders. Terwijl de kaart universeel hoort te zijn, niet voor een specifieke post, route, of persoon.

Is het een goed uitgangspunt dat je tekent wat er  op de (schaal van de) kaart past, en er ook nog een beetje overzichtelijk uit ziet?

Het meeste moeite had ik duidelijk me:

  • kleur van bos (wit – lichtgroen – middelgroen – donkergroen)
  • wel of geen onderbegroeiing (en zelfs daar zijn twee dichtheden voor)
  • ruw-open met bomen, of wit bos danwel ruw open met wat minder dichte onderbegroeiing; het lijkt allemaal in elkaar over te lopen
  • ruw open (lichtgeel) of grasland (geel)
  • ter plaatse is heide en gras duidelijk te onderscheiden; maar beide zijn op de kaart ruw open; ik zou er desalniettemin een stippellijntje als cultuurgrens tussen kunnen tekenen

Opvallend is trouwens dat “open met verspreide bomen” wit is met gele stippen, terwijl “ruw-open met verspreide bomen” dan weer licht-geel is met witte stippen; is dat logisch? De details kan je in de IOF specificatie vinden.

Waarbij soms het jaargetijde ook een rol speelt. En hoe meer detail, hoe sneller de kaart veroudert. Als beginnend baanlegger ga je toch op zoek naar criteria , zoals:

  • een minimale grootte van oppervlakjes met afwijkend terreinkenmerk (16 mm2 lees ik)
  • alleen stukken met herkenbare overgangen (cultuurgrenzen)
  • gewoon één kleur per perceel?
  • kleur van bos alleen voor beloopbaarheid, niet voor oriëntatie gebruiken?
  • en anders alleen aangeven als je er ook een stippellijn (voor cultuurgrens) omheen kan tekenen?
  • is een criterium dat al wat je tekent ook voor het plaatsen van een post te gebruiken is, en anders niet getekend moet worden?

Op een 1:5000 uitdraai van de kaart om onderweg op te tekenen kan je veel meer kwijt dan praktischer wijze op een schaal 1:10000 leesbaar is. Maar ik ben toch geneigd alles wat te zien is op de kaart te tekenen. Daar moet ik nog een balans in vinden. Te veel tekenen maakt de kaart onleesbaar; te weinig levert minder plekken voor posten op, die immers alleen bij herkenbare plaatsen op de kaart gezet mogen worden. Meer ervaring helpt hier een evenwichtige keuze te maken.

Ten slotte bedenk ik dat ik eigenlijk al het water in had gemoeten om te peilen hoe diep het was, en of je er door kon. En niet voor niets…

Banen leggen

Na het bijwerken van de kaart kwam het uitzetten van de routes. Of eigenlijk begon dat al eerder, want tijdens het veldwerk ben ik al menig mooi puntje voor een postzak tegengekomen. Mooie plekken, unieke plekken, plekken om bijzondere stukjes van het terrein te laten zien, en herkenbare -maar op het eerste gezicht onvindbare- plekken. Toen ik er ruim honderd had leek dat wel voldoende. Meer dan. Hoewel later zou blijken dat ik toch nog wat extra plekjes nodig had, om benen te leggen die evenwichtige routekeuzes afdwongen. Baanleggen en terrein verkennen was dus een iteratief proces.

Daar komt bij dat de Grote Heide eigenlijk best een groot terrein terrein is, en dan hebben we het alleen nog maar over de Grote Heide Zuid. Alleen de langste omloop kon het van boven tot onder omvatten. Helaas paste niet het gehele gebied op één A4-tje, zodat we het Veeven in het noorden hebben moeten weglaten in de routes, al was dat zo mooi. (Ik pleit bij deze voor de aanschaf van een mobiele A3 printer, zodat ook van grotere gebieden op de dag van de wedstrijd ter plekke kaarten bij-geprint kunnen worden.)

Het gebied is groot, maar toch waren er zones die ik moest vermijden. Er lagen een aantal pas-ingezaaide akkers, privé terreinen, weides met paarden, en een kampeergebied van de lokale scouting. Magenta arceren is natuurlijk een optie, maar je moet de lopers ook niet uitdagen: de banen moesten er dus ruim omheen, of júíst tussendoor geleid worden, want de rand van een akker is al gauw sneller dan het omringende bos te belopen.

Ondanks alle randvoorwaarden vind ik dat ik er in geslaagd ben een aantal leuke en bijzondere benen te tekenen. En die weer met even interessante benen -qua routekeuzes- te verbinden.

12 was geen moeilijke post, maar de weg er heen vanaf 11 was niet gemakkelijk. De ideale route was niet meteen duidelijk. En dat was terug te zien in de splits.
Voor de route van 18 naar 19 waren twee droge en een natte beslissing mogelijk.

Het streven om het afwisselend te houden, in lengte van de opeenvolgende benen, in terrein, in moeilijkheidsgraad, en in koers, maakte het een hele puzzel. En met één omloop was ik er niet: er moesten er 7 komen, rekening houdend met de eisen voor lengte en moeilijkheidsgraad van de verschillende omlopen. Ik schat dat de eerste omloop me 3 uur kostte om te ontwerpen, en de daaropvolgende telkens ongeveer een uur. Kan sneller, maar dan is meer ervaring vereist.

Het uit de knoop houden van de route en voorkomen dat lijnen postcirkels zouden doorsnijden was nog best een opgave. De butterflies waren een oplossing. Probeer dan ook nog eens scherpe hoeken in een route te vermijden, en te voorkomen dat verschillende omlopen dezelfde benen in verschillende richtingen belopen, en je hebt een puzzel!

 

Een ogenschijnlijk simpel been dat in de praktijk best pittig bleek.
Een piepklein mini-eilandje. Gewoon, omdat het kan.

Ten slotte heb ik de te belopen delen van de kaart extra gecheckt. Dáár moest de kaart gewoon exact kloppen. Paden, kleur bos, onderbegroeiing, etc. Maar met alle routekeuzevrijheid was de te belopen zône nogal breed, en ik zal niet de enige zijn die ooit verdwaald is en daar door op stukken van de kaart kwam waar geen baanlegger ooit op gerekend had. Het gebied buiten de banen moet dus ook een beetje kloppen (of helemaal weggelaten worden, want iets dat er wel op de kaart maar niet is is het echt, is erger dan iets dat niet getekend is).

Analyse

Kijkend naar de splits (op Splitsbrowser pagina; kies voor de weergave van Percent behind) vallen een aantal benen op, waar, gezien de spreiding op de relatieve tijden, nogal verschillende routekeuzes zijn gemaakt. Dat zijn de benen die geslaagd zijn, qua legging. Want een been 7→8 in omloop 2, of 11→12 in omloop 3 (plaatje hier onder), dat is niet waar de lopers zich op onderscheiden.

Juist de benen waar veel verschil in relatieve tijd ziet (behalve dan de hele korte stukjes waarop een klein absoluut verschil relatief hard meetelt), die zijn gelukt.

Ik ben heel benieuwd hoeveel lopers bij omlopen 1, 2 en 5 door het ven zijn gelopen in het westen van de kaart, net boven het fietsviaduct. In omloop 1 zijn er mensen die er meer dan 4 keer zo lang over deden van post 18 naar 19. Ik denk dat de snelsten door het water zijn gegaan. Hoewel dat zo’n groot verschil ook weer niet echt kan verklaren.


Conclusie

Ik moet zeker ook Peter bedanken voor alle hulp en opmerkingen bij het ontwerpen van de banen. Mijn eerste poging heeft gelukkig bijna niemand gezien, maar ik kreeg het al snel redelijk door. Al valt er nog veel te leren. En van Adrie heb ik nog van alles geleerd over het tekenen van de kaart. Ik zal zeker nog een paar keer met hem, Peter of anderen mee moeten gaan om het echt in de vingers te krijgen. En ook het leggen van banen zou ik niet durven zonder dat iemand ze goed checkt. Maar ik heb al heel veel geleerd, al zeg ik het zelf.

Een volgende keer dat ik een kaart teken trek ik er meer tijd voor uit. Het is gewoon heel veel werk. Er moeten slimmere manieren zijn dan alles twee keer vastleggen: eerst op papier of calque, en dan digitaal. Zou een tablet (met daar op Momap, of een toekomstige port van OpenOrienteeringMapper naar Android, of een aangepaste OpenStreetmap editor) werken? Of rondrennen met een camera op mijn hoofd en achteraf thuis pas tekenen? Of kan je handiger meten, met een GPS en een DGPS ontvanger bijvoorbeeld, of een laser-afstandsmeter.  Er zijn meer mensen die hier over piekeren. De apparaten bestaan, maar wat kost het? Het aanbod op Marktplaats is nog wat karig.

En een volgende keer dat ik een baan leg maak ik meer tijd vrij om na afloop met de lopers te evalueren, te vragen wat ze nou precies leuk vonden, wat saaie benen waren, en welke keuzes ze hebben gemaakt. En of ze me doorzien hebben. Ik ben heel benieuwd, en daarom nodig ik jou, lezer, van harte uit jouw commentaar en opbouwende kritiek hier onder toe te voegen.

Je hebt fouten en je hebt fouten…

Sorry!

Soms, bewust van een risico dat je neemt, gaat er iets mis. Je wist dat het kon gebeuren, had weloverwogen een beslissing genomen op basis van verwachte kansen, maar de wind kromp toch in de vlaag terwijl je aan het zeilen was, of je zag de post op het kleine heuveltje toch niet zo snel staan en had beter via het pad aan kunnen komen lopen dan dwars over de hei. Eigen schuld, je weet het, je zal de volgende keer meer op zeker spelen, en ondertussen gewoon doorgaan.

Maar soms maak je een fout die je niet zag aankomen, en zelfs op dat moment ook niet opmerkt, totdat je er (veel) later mee wordt geconfronteerd. Totaal overvallen door de vergissing, niet bewust van enig risico, onachtzaamheid, of onregelmatigheid, schrik je als van een donderslag bij heldere hemel.

Dat laatste overkwam me vandaag. De donderslag dan; de fout was gisteren al gemaakt. Het was niet dat ik bij het uitlezen van mijn EMIT ontdekte een verkeerde post gecheckt te hebben (wat me twee keer eerder overkomen is), en ook niet dat ik mijn GPS-logger onderweg verloren had (wat me één keer eerder overkomen is); het was veel erger:

Ik had een post op de verkeerde plek gezet. Waardoor een aantal lopers hem niet kon vinden, en in eerste instantie gedeclasseerd werd. Onvergeeflijk.

Ik was zaterdagochtend vroeg gaan helpen met plaatsen van 17 van de controle-EMITs voor de 2e dag omlopen voor de KOVZ 3 Daagse van Brabant. Er zaten lastige bij, waar ik het vooraf geplaatste lintje niet direct vond; of waar ik twee keer checkte of het lintje wel hing waar volgens mij de post op de kaart stond. Alles klopte. En ik controleerde overal twee keer of het nummer van de EMIT wel juist was, en de postzak goed vast hing.

Tot aan de laatste die ik ging zetten. Aan de rand van de onderbegroeiïng, op de flank van het relïef, bij een duidelijke omgevallen boom. Ik was er kennelijk zo van overtuigd dat dit de plek was, vooral de vanuit de wijde omgeving te ziene markante resten van de omgevallen boom, dat ik helemaal niet meer het lintje heb gecheckt. Zo opvallend vond ik hem dat ik de post er zelfs achter heb gezet. Als je op de aangeduide plek staat moet je de post kunnen zien, en anders niet per se. Alleen de aangegeven plek moet duidelijk te vinden zijn.

Dat had ik beter niet kunnen doen: als hij er voor had gestaan had men hem wel gezien, althans, was de kans een stuk groter geweest, en de fout minder pijnlijk. Maar dat is natuurlijk niet waar het om gaat: hij stond op de verkeerde plek. En een omgevallen dode boom is geen boomstronk. (Wat is dan wel het symbool voor een dode omgevallen boom? Of voor een houtwal, zo’n langgerekte berg takken en stammen, door mensen gemaakt, en ook erg markant?) Maar het stomste was dat ik helemaal niet naar het lintje heb gezocht. Terwijl dat toch het makkelijkst was geweest, en zekerheid had gegeven dat iemand (met meer ervaring) de juiste plek had gevonden. Waarom ik niet heb gezocht? Omdat ik zo overtuigd was van mijn locatie, en geen enkel vermoeden had dat het niet zou kloppen. Maar dat is geen excuus; en dat is er ook niet. Louter een verklaring.

Duizendmaal excuses

Ik wil me dan ook verontschuldigen. Gelukkig kon de uitslag gecorrigeerd worden, door de twee benen, van en naar de misplaatste post, uit de tijdrekening voor de uitslag te verwijderen, zodat de verloren tijd voor iedereen niet meetelt. Dat is dan weer een groot voordeel van de elektronische tijdsregistratie met EMITs, met een klok in de loper-unit, waardoor alle tijden altijd kloppen, en niet afhankelijk zijn van synchronisatie van de klok in de controle units, zoals bij een ander veelgebruikt systeem.

“Failure is not an option”

Wat ik er van geleerd heb moge duidelijk zijn: altijd de posten bij het lintje plaatsen, tenzij dat overduidelijk verkeerd hangt. En dan nog alleen na overleg met de baanlegger, want de lintjes worden weggehangen én door iemand gecontroleerd, dus dat is al 2 tegen 1.

  1. ga naar de juiste locatie op de kaart
  2. zoek (en vind) het lintje
  3. check of je bij de juiste post staat
  4. check of de locatie van het lintje klopt met de postomschrijving
  5. plaats de post op een geschikte plek die aan voldoet aan alles
  6. verifieer het post-nummer (EMIT)
  7. verifieer of de postzak goed hangt en er niet af kan vallen

Maar vooral: neem de tijd, want alles moet voor 110% kloppen. Failure is not an option.

Kansberekening op de Zwarte Bergen

Kansberekening, dat is waar het deze keer om draaide (en niet alleen deze keer). Hoewel dat op zich gek klinkt, want je moet niet gokken, maar gewoon naar de post lopen. Als je niet zeker weet dat je goed zit doe je iets fout. Toch?

Maar ook dat is niet waar. Want hoe vaak denk je niet dat je goed zit, en klopt het toch niet? In je hoofd is de kans dat je zo naar de post loopt in die gevallen gewoon 100%, of 99% of zo iets; en staat er toch geen vlaggetje. En zou het niet zo zijn dat als je met honderd procent zekerheid naar de post rent, je er via de 90% route sneller was geweest? Misschien was de 80% route nog wel sneller. Als dat een halve minuut had gescheeld op de gemiddeld 3 minuten per post (dit keer), dan was dat ruim 15% snelheidswinst. Dan mag je er 1 op de 6 posten twee keer zo lang over doen omdat je een fout maakt, en nog heb je een betere eindtijd.

Met andere woorden, 100% zekerheid is niet het snelst. Maar wat dan wel?
Dat is die kansrekening uit de titel. Laten we deze loop eens onder de loep nemen. De hele route kan je zien in mijn DOMA archief, maar ik zal ook wat stukjes kaart in dit verslag opnemen.

Ik had al een tijdje niet meer georiënteerd. Wel gelopen, dus de conditie was oké, en de routine van het oriënteren ook (controlenummers en vervolgroutes checken vóór ik bij de post kwam), maar de feeling leek wat minder. Het voelde niet helemaal scherp.

Op zich goed om dat tevoren te beseffen, en bewust iets meer op zeker te spelen. Ik had de laatste paar keren ook wat verloren door fouten, dus zou het wel goed zijn er nu geen te maken. Altijd is dat beter, natuurlijk, maar je maakt ze uiteraard nooit met opzet.

Een methode om alvast succesvol te starten is niet-warmlopen. Zodat je niet de eerste paar honderd meter als een gek het bos in stuift om er achter te komen dat je bent vergeten kaart te lezen. En de eerste post missen (of er naar moeten zoeken) is een mentaal lidteken dat je de rest van de wedstrijd meedraagt. Zo houd ik ook vaak eerst even de paden aan, kijk om me heen hoe dichtbegroeid het bos dit seizoen is, en wen even aan de kaart. Kost een paar seconden die je later terugverdient.

En zo vond ik post 1 dan ook redelijk fluitend, hoewel hij best lastig was geplaatst. Maar bij 2 ging het ineens behoorlijk mis. Gewoon door niet goed op de kaart te kijken. Ik zag een strook gras richting post op de kaart, maar oriënteerde alleen grof, en zag dat post 2 op een open plek stond, ergens aan het end van de strook gras. Zonder nog een keer op de kaart te kijken, lag er in mijn hoofd een open plek in het verlengde van de strook gras; en in het echt lag die er ook, helaas. Maar daar was geen post. Ook niet op de kaart. Ik had de kans dat ik hem wel zou zien, en dat ik goed op de kaart had gekeken, te hoog ingeschat.

Uiteraard nam ik me voor dat dat vandaag niet meer zou gebeuren. Geen risico’s meer: gewoon de juiste koers lopen, en altijd zorgen dat ik weet waar ik ben. Maar dat lijkt tevoren wel eens makkelijker dan het ter plekke blijkt. Voorbeelden:

  • Van 5 naar 6, lijkt op de kaart eenvoudig. Vanuit het open veld (hobbelige heide: snel wegwezen) het open bos in, reliëf zoeken, en de post in de kuil achter de bult. Het bos bleek dichter begroeid, en alles was reliëf, dus de bult, noch de kuil, vielen direct op. Toch was dit geen onverantwoord risico.
  • Van 6 naar 7: ondanks het volgen van een aantal terreinkenmerken, enigszins gaan gokken en gemikt op de verkeerde pluk bomen. Toch niet volledig kaartcontact gehouden, hoewel dat in dit terrein wel nodig is.
  • Van 11 naar 12: Een post in een klassieke gribus van paadjes, heuveltjes en kuilen. Dan moeten alle alarmbellen af gaan. Zeker als die volgens de postomschrijving niet op een top maar in een inloper staat. Maar ik dacht hem wel even te gaan vinden, en heb 5 minuten lopen zoeken, voordat ik door had dat ik nog 50 meter verder moest zijn. Had ik makkelijk kunnen voorkomen.
  • Van 13 naar 14: Leek eenvoudig, maar zo’n lang stuk doorsteken in bos dat toch best dicht begroeid is (en niet zo wit als op de kaart) vraagt om narigheid, zeker als mijn geplande stoplijn een iets-dichter-bos is, lichtgroen op de kaart, maar zonder de stippellijn van de ‘herkenbare cultuurgrens’. En met het slechte zicht is reliëf niet zo’n eenvoudige leidraad. 20 meter voor de post herkende ik mijn inschattingsfout, koos eieren voor mijn geld, en zocht een herkenbaar punt op: het pad ten noorden. Om te refereren, rende ik naar de kruising ten oosten, zuidelijk naar het zijpad, en van daar uit, recht op de post af. Vond hem via een flinke omweg. Had ik meteen voor een herkenbaarder route gekozen, dan had me dat fors gescheeld. Achteraf.

Ik ben voor mezelf eens nagegaan hoe en wat…

post tijd afstand vogel- vlucht afstand route tempo vogel- vlucht tempo route relatieve afstand route- keuze veilig- heid succes geluk verloren tijd gewonnen tijd
1 03:01 454 580 06:38 05:12 27.80% 1 1 1 0    
2 02:54 207 408 14:01 07:06 97.20% -1 -1 -1 -1 01:15  
3 01:54 298 312 06:22 06:05 4.60% 1 0 1 1   00:30
4 02:40 426 508 06:15 05:15 19.10% 1 1 1 0    
5 01:47 281 335 06:20 05:19 19.30% 1 1 1 0    
6 01:11 164 178 07:14 06:37 9.10% 0 0 0 1 00:10 00:05
7 02:39 356 424 07:27 06:15 19.10% -1 1 0 -1 00:30  
8 01:44 295 313 05:52 05:32 6.00% 1 1 1 0    
9 01:06 160 217 06:51 05:04 35.00% 1 1 1 1   00:15
10 02:16 263 352 08:38 06:26 34.10% -1 1 1 0 00:30  
11 06:35 968 1,142 06:48 05:45 18.00% 0 1 1 0 00:20  
12 05:29 298 596 18:24 09:12 100.10% 1 -1 -1 -1 04:00  
13 04:56 761 875 06:28 05:38 15.00% 0 1 1 0    
14 03:37 211 522 17:07 06:55 147.10% -1 -1 -1 -1 02:10  
15 02:59 290 428 10:16 06:58 47.50% 0 0 1 0 00:20  
16 02:44 355 412 07:41 06:38 15.80% 1 1 1 1   00:15
17 03:25 579 665 05:54 05:08 15.00% 1 1 1 0    
18 02:22 380 428 06:14 05:31 12.70% 1 1 1 0    
19 01:43 229 245 07:30 07:00 7.00% 1 1 1 0    
20 01:04 107 138 09:59 07:42 29.70% 0 0 0 0 00:20  
21 01:15 187 201 06:41 06:12 7.60% 1 1 0 1   00:30
22 01:52 186 335 10:02 05:33 80.50% -1 1 -1 -1 00:50  
59:13 7453 9614 07:56
06:09 29.0% 10:25 01:35

Allereerst schat ik zo in dat ik 10:25 sneller had kunnen lopen, als ik geen fouten had gemaakt. Dat is meer dan het verschil tussen plaats 1 en 6! Niet harder lopen, dus, maar slimmer! Wat dan verder opvalt is dat ik vooral tijd verlies op de benen waar ik niet veilig heb gelopen (2, 7, 12, 14, 15, 20: 8:35 minuten), en maar een klein beetje op benen waar ik niet zo’n goede routekeuze heb gemaakt (6, 10, 11, 22: 1:50 minuten). Door her en der risico te nemen (minder veilig te lopen), maar wel geluk te hebben gehad (goed gegokt), heb ik 1:35 minuten gewonnen. Dat weegt dus zeker niet op tegen de verloren tijd door onveilig lopen. Kortom, veiligheid voor alles, en je wint!

Maar goed, na die post 14 ging alles best vlot en zonder fouten, alleen de finish leverde wat problemen. Verklaarbaar, maar niet vergeeflijk. Eerst de verklaring (of de excuses): Tevoren had ik gezien dat de finish via een lang lint vanaf de onverharde weg naar het CC liep. Dat de finish op mijn kaart niet daar getekend was leek me dan ook een vergissing. En bovendien had een of andere onverlaat zijn BMW pal voor de finishpost geparkeerd, althans, gezien vanuit de richting waaruit ik aan kwam lopen (wat tevens de richting van de voorlaatste post was). Ik zag dus alleen een lint lopen, in een richting waarin ik tevoren verwacht had dat de laatste post zou staan. Één en één is twee…

Iets verderop vond ik toch een post staan (wat de één-na-laatste post van de andere wedstrijd was; ik deed de dagomloop) en dacht te finishen. Inmiddels wandelend (want ik meende klaar te zijn, riep iemand (ik meen dat het Lieke was) dat het niet klopte, en ging ik alsnog terug naar de geparkeerde auto om daar echt te finishen.

De les voor de volgende keer is duidelijk: kijk goed tevoren hoe de finish in elkaar steekt. Meestal bevindt zich die vlak bij het CC, en is dat dus een kleine moeite. Het kan je kostbare seconden opleveren, in het laatste been, en dat is nou juist wat je achteraf het beste bij blijft. Ondanks mijn 6e plaats (van de 40 lopers) gaf dit minimale debacle op het eind me een ietwat zure nasmaak. En dat is natuurlijk zonde, na zo’n mooie loop.

Ik ben alleen wel benieuwd wanneer de splits online komen… http://helga-o.com/webres/splits/splitsbrowser.php?lauf=527 lijkt nog niet te bestaan. Tot die tijd kan ik mijn tijden en route vergelijken met die van Geert van den Burg, want hij heeft de zijne op zijn eigen DOMA/Quickroute server gepubliceerd. En ook leuk is deze vergelijking op 2DRerun.

 

De inkt was op…

De inkt op? Niet echt, maar het leverde wel een leuke training op: een kaart met alleen maar bruine lijnen. En dat zijn de hoogtelijnen. Maar dus geen paden, watertjes, hekken, wegen, bossen, zandvlaktes, etc. Niets. Allen wat je zou zijn als er niets op de grond stond of lag. Bijzonder. Bijzonder lastig ook. Want in dit bos, rond Joe Mann tussen Son en Best, zijn de paadjes een strak patroon, en dus niet aan het reliëf te herkennen. En er zijn ook lange stukken die zonder noemenswaardig reliëf zijn.

Het resultaat is een pittige training, uitdagend, en eentje waar je jezelf weer eens leert kennen. Iets dat typisch gebeurt als dingen niet gaan zoals ze moeten. Want van een perfecte loop leer je niet zo veel, afgezien van de boost van je zelfvertrouwen. Maar als het niet zo lekker loopt, krijg je van die leuke conflictjes, waarbij hersenhelften het tegen elkaar opnemen over iets te ver naar links, of juist naar rechts; of een kuil gewoon het midden tussen twee heuveltjes is; of het een pad lijkt, of het toch een cultuurgrens is. Dat zijn namelijk de situaties waarin kaart en omgeving niet met elkaar overeenstemmen: wat je op papier ziet lijkt er niet te zijn in het echt, wat je wel ziet stemt net niet overeen, en het noorden ligt 15 graden te ver naar het oosten. Je doet je best er wat van te maken. Maar als het puzzelstukje links past, klopt de bovenkant weer niet.

Ik was van plan, op weg van 2 naar 3, de hoogtelijnen te volgen, maar het bleek een dusdanig gelijkmatig glooiend terrein, dat die ene hoogtelijn 'niet te zien was'. Geen handige keuze dus. Ik had beter van 2 naar 20 kunnen lopen, en van daar de terrein features kunnen volgen. Achteraf een stuk korter!

Meestal is het simpel: je hebt een paadje gemist, en zit een perceel verderop dan je dacht. Of zo iets. Maar op een oro-kaart, met alleen hoogtelijnen, zijn die paadjes er niet, en kunnen ze dus ook niet niet kloppen. Evenals de slootjes, bosjes, en duintjes. Alleen kan je de verkeerde hoogtelijn te pakken hebben. En dat is het hem nou juist: een hoogtelijn is niets. Je kan hun vorm herkennen in het landschap, maar ze lopen er niet. Althans, niet precies ergens. En dat maakt het lastig, want ze lijken allemaal op elkaar. Alleen verschillen hun bochtjes en buren. Daar moet je het mee doen.

Om het extra lastig te maken: hoogtelijnen zijn een product van hun geestelijk vader: de kaartenmaker. En die tekent ze waar hij ze ziet lopen. Als het goed is zie jij ze daar ook, maar anders… Op een stafkaart kom je nog wel eens een verdwaalde hoogtelijn tegen, die niemand ooit zal herkennen. Dat zijn hoogtelijnen die er ‘echt zijn’, precies op 15 meter boven NAP, of 5 er onder; als er even verderop een heuveltje van 95 centimeter hoog ligt zie je daar niets van, op de kaart. Een oriëntatiekaart is veel beter: daar staat die spooklijn niet op, en het heuveltje wel. Maar toch, ze moeten kloppen. Een zaagtand is aan de ene, steile, kant dan wel herkenbaar, maar aan de andere, glooiende, staat die zelfde kaartenmaker voor het dilemma waar hij het lijntje moet trekken zodat jij het daar ook herkent. Ik heb wel geleerd dat de kaart doorgaans gelijk heeft, alleen moet je dat nog even zien!

Omdat er die twijfel is, of jij herkent wat op de kaart staat, of dat je zelf niet op de kaart staat waar je denkt, sta je af en toe te denken. Grappig genoeg is achteraf altijd duidelijk waar. Maar op het moment zelf los je een puzzeltje op. Het lijkt -alweer achteraf- zo’n makkelijk puzzeltje. Er zijn meestal maar een paar mogelijkheden op de kaart, waar je zou kunnen zijn; gegeven waar het noorden is, waar je vandaan komt, waar je heen denkt te gaan. Je vermoedde als dat je iets te ver naar rechts was afgeweken, je wat kleinere pasjes had geteld vanwege doorntakken, je te vroeg was gaan doorsteken.

Hier was veel reliëf, en daarmee was het ook prima oriënteren. Dat ik wat 'slingerde' had meer met de begroeiing te maken.

Maar daarin schuilt nou juist het probleem: “vermoedde”. Een aanname. En door die, of een andere vooringenomenheid, komt het dat je van de paar mogelijkheden op de kaart er eentje het voordeel van de twijfel geeft, die het nou net niet is. Want dan had alles namelijk geklopt. De kunst is om dan juist om alle aannames bewust op waarde te schatten, en objectief te kiezen voor de plek die echt het beste overeenkomt. Of op zoek te gaan naar bevestiging, als die niet voldoende aanwezig is.

Terug naar de training: ik denk dat het voor mij een heel waardevolle oefening was om eens heel strikt op hoogtelijnen te letten, des te meer omdat ik -ook bij deze training- geneigd was in de gevallen dat er geen boven-de-grond-kenmerken zijn op weg naar een post, puur op kompas en afstand (passen tellen) te navigeren. (Op zich is dat niet verkeerd, maar de baanlegger zal de post dikwijls ten opzichte van het lokale reliëf plaatsen, en niet op peilingen; dus is het reliëf een betrouwbaarder referentie.) En daarom was ook juist de nabespreking met Peter, onze trainer, zo goed. Hij wees nog eens extra op een aantal aandachtspunten. En hij confronteerde me met het me niet houden aan de dingen die ik eigenlijk ook wel wist, maar niet deed. Heel goed! Peper het me in, dan doe ik het de volgende keer wèl goed!

Een goed voorbeeld van goed lopen: eerst een ruimere koers lopen (meer naar 'rechts') en de droge sloot vinden, volgen tot het zuidoostelijke eind (toevallig was ik daar al ongeveer), dan de verlaging zoeken, als aanvalspunt, en van daar af naar de put met de post. Dat was maar goed ook om zo te lopen, want de post stond echt onder het maaiveld, en was van meer dan 20 meter afstand niet te zien.
  • Blijven lopen waar iets herkenbaars is: kies een route waar iets te zien is, in de hoogtelijnen, en volg alleen reliëf dat je herkent op de kaart, want anders heb je er nog niks aan.
  • Alles onderweg registeren: een foutje is snel gemaakt, en om terug te kunnen naar een bekend punt moet je wel onderweg gekeken hebben naar wat er voorbij kwam, anders moet je helemaal terug naar de vorige post (als je die nog kan vinden).
  • Veilige keuzes maken: een vlak stuk ‘doorsteken’ is gevaarlijk als er geen zekere stoplijn volgt, iets dat je herkent en niet kan missen. Anders kan je beter zichtbaar reliëf volgen, en een stukje omlopen, want verdwalen is nooit goed.
  • Geen steken laten vallen: op kaarten als deze moet alles kloppen. Omdat er zo weinig houvast is moet je wat je hebt volledig gebruiken. Passen tellen kan, maar moet je dan ook goed doen. Peilen: nauwkeurig. Maar vooral elk reliëf-detail moet overeenkomen, want anders betekent het dat je toch op de een of andere manier fout zit. Alles wat er is moet je zien, en alles wat je ziet moet er zijn.

Het mooiste van dit type training is misschien wel dat je hem heel goed kan doen in een een omgeving die je eigenlijk al kent, omdat het reliëf er telkens vanuit een andere hoek toch weer anders uit ziet, en je dus scherp moet blijven kijken en de kaart en de omgeving moet vergelijken. Zodat je dit ook voor een individuele training kunt gebruiken. Alleen: waar haal je zelf een oro-kaart vandaan?

Even een weetje: de Aarde draait dezelfde kant op…

…om zijn eigen als als om de zon.

En toen werd het stil.

Waarom vertel ik dit? Of nee, waarom wil ik dit weten? Eigenlijk is het net zo’n vraag als of de Noordpool een noord- of zuidpool is. Ik vroeg me af of we jaarlijks 364¼ of 366¼ rondjes rond onze as door de Noordpool maakten. Want 365¼ zijn het er in elk geval niet. (De ¼ staat er omdat het vrijwel elke vier jaar een schrikkeljaar is.)

Weliswaar lijkt de zon zo vaak om ons heen te draaien, maar we draaien daarbij elk jaar zelf één keer rond de zon. En als de aarde in tegengestelde richting rond zijn eigen as draait ten opzichte van de richting waarin ze rond de zon draait, zou de zon één keer vaker rond de aarde lijken te draaien dan de aarde rond zijn eigen as. En draaien ze dezelfde kant op, dan is het er één minder.

Het blijkt het laatste te zijn: vanaf de Poolster gezien draait de aarde tegen de wijzers van de klok in rond de zon, en ook rond zijn eigen as, waarbij dat laatste 366¼ keer sneller dan het eerste gaat. Zou de aarde niet rond zijn as draaien, dan zou jaarlijks de zon één keer in het westen opkomen en in het oosten onder gaan. En vanwege zijn eigen draaiing komt hij ruim 366 keer in het oosten op en gaat in het westen onder. Trek daar die ene keer van af, en je komt uit op 365 keer per jaar, en eens in de vier jaar eentje meer.

Dezelfde kant op dus…

Logisch, want we zijn met zijn allen -wij, en al die andere planeten in ons gezellige Zonnestelsel- uit een wolk gas en stof ontstaan, en gaan samenklonteren, waarbij de wet van behoud van impulsmoment gold, en elke planeet, of stukje daar van, steeds sneller rond zijn draaiingsas is gaan draaien naarmate het daar dichte bij kwam. Denk aan en ballerina, of ga met je armen en benen uit elkaar op een bureaustoel zitten, begin rond te draaien, en trek armen en benen langzaam samen: je gaat dan steeds sneller ronddraaien. De wolk draaide een bepaalde kant op, en de huidige delen daarvan doen dat nog steeds; allemaal in dezelfde richting.

Het tandwiel van de zon heeft hier twee keer zo veel tanden als dat van de aarde. Maar bij elk rondje dat de aarde rond de zon maakt, draait ze ten opzichte van de omringende sterren 3 keer rond haar as. In dit plaatje althans. In het echt zijn dat er 365¼, maar in het echt heeft de zon naar verhouding ook meer tanden.

Handig ook, voor planetariumbouwers: pak een groot tandwiel, prik een zon op de as, en laat om dat tandwiel een 366 keer kleiner tandwiel lopen. Op de as van dat kleine tandwiel prik je een Aarde, en die ziet vervolgens de zon 365 keer opkomen en ondergaan, elke keer dat ze een rondje rond het zonnewiel draait. De juiste kant op.

Nu ik dit weet kan ik verder nadenken over waarom de kortste dag niet de dag is waarop de zon het laatst opkomt en het vroegst onder gaat.

 

Mijn 2e O-verjaardag: Aqua View

Twee jaar geleden liep ik mijn eerste Oriëntatieloop! Nota bene ook in het donker.  En dit is dus mijn 2e O-verjaardag. Wat een sport!

De uitslag van mijn eerste oriëntatieloop ooit.

Intussen ben ik 31 “omlopen” verder, en een stuk ervarener (los van het feit dat mijn naam is gewijzigd, ik een nationaliteit heb gekregen, ik 5 jaar ouder ben geworden, en een club heb). Wat heet: ik ben nu ruim twee keer zo snel. Liep ik toen nog over paden, nu rag ik dwars door het bos. Liep ik toen prompt verkeerd toen ik een keer niet over een paadje ging, nu weet ik wel beter… of toch niet.

...en dit was twee jaar later.

Kijk eens naar mijn kaart. Wat doe ik daar nou, op weg van 6 naar 7? Een stukje sightseeing? In het donker? Er gebeurde iets heel geks in mijn hoofd, vermoedelijke omdat ik terug dacht aan die keer twee jaar geleden, en ik dat gevoel van verdwalen weer wilde oproepen. Vast.

Nee, ik was er niet helemaal bij. Ik liep naar 6, beetje om, maar laten we het maar op “een veilige aanvalspunt keuze” houden. Dacht toen dat ik bij 7 liep (een stuk noordelijker), met al die parallelle greppels, en daar vond ik, iets ten zuiden van het pad, een post. Dat bleek er eentje van de achterkant van de kaart te zijn, maar, zonder het nummer te checken, ging ik vrolijk, en een klein beetje gehaast, op weg naar het zuiden, naar waar ik meende 6 te gaan vinden. Dat 6 voor 7 kwam vergat ik gemakshalve. Ik weet zeker dat ik de kaart niet ondersteboven hield, maar de tafel van 1 kennelijk wel. Even later vond ik een open plek, daar in het zuiden. “Ben ik al zo ver? Dan ben ik 6 al voorbij!” In het minder begaanbare terrein, en vanwege een nogal afwijkende koers, was mijn gevoel voor afstand wat ontregeld. (1:4500 is ook zooooo’n moeilijke schaal.)

Gelukkig vond ik 6, maar toen pas zag ik dat daarna 7, in het noorden van de kaart, kwam. Een geluk bij een ongeluk, want voor het zelfde geld was ik doorgelopen naar 8, en had heel 7 gemist. Alleen had ik nog steeds niet door dat die eerdere post, die ik voor 7, tussen het donker groen met de greppels, had aangezien, helemaal niet de 7 was die ik moest hebben. Mijn richtingsgevoel, dat het kennelijk nog wel deed, stuurde me naar het noordoosten. En zo belandde ik bij een post die ook helemaal nog niet bij mijn route hoorde.

Achterkant kaart, controle strook, nummer zoeken, en ja, ik kon herleiden waar ik liep. Terug naar het westen, greppels tellen, en als een speer het bos in, op zoek naar de echte 7. Intussen had ik van 5 naar 6 een recordtijd neergezet: de langste, ruim 3,5 keer langer dan de snelste loper. En ook mijn ommetje van 6 naar 7 bleek niet om over naar huis te schrijven.

Ik heb altijd de neiging om -voor straf- na het maken van een fout enorm te gaan doorsteken om de verloren tijd in te halen. En ook nu baande ik me een weg tussen de ondoordringbare bomen door. En weer snap ik dat achteraf, want ik herinnerde me dat ik, toen ik de eerste keer in de buurt van 7 dacht te zijn (wat dus 6 was), best aardig door het bos kon lopen. Nu was het alsof ik me een weg dwars door de stapel kerstbomen die bij de supermarkt in december tegen de gevel staan probeerde te banen.

Met deze kerstgedachte in mijn hoofd nam mijn oriëntatievermogen weer eens met mij de vrije loop. Toen ik bij A aankwam (in het kaartje links) dacht ik het iets zuidelijker pad te bewandelen. Dat dat ineens op leek te houden deerde niet, ik vond een kruispunt (wat C bleek te zijn, maar ik voor B aan zag) en sloeg rechtsaf. “Zo’n kompasnaald is ook maar van ijzer”, moet ik gedacht hebben, en ik rende vrolijk een meter of honderd door, tot hij wel erg hardnekkig de andere kant op bleef wijzen. Het mag een wonder heten dat ik 8 vond. 9 liep ik vervolgens maar 10% voorbij, wat aardig klopt met de kaartschaal 1:4500 die ik telkens als 1:5000 las.

Maar gelukkig, een half uur ervaring is iets om op te bouwen, en 10, 11, 12, en helemaal 13 gingen verdraaid goed. Die laatste, en later ook 17, 21, en 23 zou ik als een van de snelsten belopen. De kaart werd omgedraaid, en het leek weer van voor af aan te beginnen (de nummers herstartten ook weer bij 1, wat dus eigenlijk 13 was). Zelfde hoek van het bos, als in het begin, maar, vanwege de duisternis, de sneeuw die er inmiddels bij was gevallen, en de kaart die als maar meedraaide, een totaal nieuwe ervaring. En ook het stemmetje in mijn hoofd “J-G, nu ga je het gewoon wel heel goed doen, zonder fouten”, gaf er een andere dimensie aan.

Op weg van 16 naar 17 zat Jeremy Genar me op de hielen, en dat zorgde voor de nodige peper op bepaalde plaatsen waardoor ik heel hard ging… en daarna heel hard naar de verkeerde post rende. Ik herinner me nog dat ik het vreemd vond dat hij boven het meertje langs liep. Ik zou wel even doorsteken, wat, ondanks het groene bos rond 5 best opschoot. En als ik vervolgens naar 6 was gelopen, was dat ook helemaal niet zo gek geweest, maar in het donker lijkt een 6 net een 9 -het is maar hoe je het bekijkt- en Jeremy was langs de noordkant gelopen (wat naar 9 nog minder onlogisch was dan naar 6), dus koerste ik ook op 9 af. Die vond ik, en, zoals ook in de 1e helft, kwam voor mij na 9 8.

Net op tijd, nou ja, ik was al halverwege het dennbomen-tegen-de-supermarkt-bos, viel het kwartje, en kreeg ik door dat je een 8 weliswaar ongestraft kan omkeren, maar een 6 niet. Hop, terug naar 6. En daarna naar 7. Ik vond dat donkergroene stukje bos waar ik omheen moest iets minder leuk, maar herinnerde me kennelijk niet dat ik daar een half uur geleden al dwars doorheen was gelopen; toen meende ik immers veel noordelijker op de kaart te lopen. Op zoek dus naar 7, dezelfde zeven die ik eerder ook al voor een 7 -een andere- had aangezien. Vond ik hem warempel! En 8, die had ik ook al eerder ontmoet. Waarna ik gelukkig de supermarkt meed, op weg naar een nummer 9, die, hoe kan het ook anders, ook al eerder mijn pad had gekruist.

Was ik net lekker logisch via de zuidkant naar een post gelopen waar ik niets moest zijn, nu liep  ik maar voor de afwisseling via de noordkant naar mijn zuidelijke bestemming. Je moet wel consequent blijven!

Maar kennelijk had ik mijn fout op tijd door, want -zo werkt dat bij mij, zoals je weet- ben ik vanaf dat moment voor straf alleen nog maar gaan doorsteken, op weg naar de finish. Die ik overigens, zonder verdere omwegen vond, maar uiteraard, en volgens de Splitsbrowser, niet in de snelste tijd.

Om één en ander goed te maken ben ik hier na nog even omloop 2 gaan doen. Dat was een stuk minder ver dan omloop 1 overnieuw, en dus heel verstandig, zeker omdat ik daarna nog de posten zou gaan binnenhalen.

Ik kijk in elk geval terug op weer een bijzondere, en onvergetelijke, nachtoriëntatieloop. Waarbij het een verrassend leuk gebied bleek te zijn met eindeloze mogelijkheden, die ik ook ten volste benut heb.

Als je vraagt wat ik geleerd heb deze keer?

  • Eerst denken, dan gaan rennen.
  • Blijf koel in je hoofd, ook als het 5 graden vriest en er sneeuw uit de lucht valt. Want van strafwerk ga je niet harder, laat staan sneller.
  • Twee jaar ervaring betekent nog niet dat je uit de losse pols kan oriënteren zonder postnummers te checken en bij te houden waar je bent.
  • In het donker zijn paden dikwijls sneller. Dat had ik twee jaar geleden al prima begrepen.
  • Het blijft een ontzettend leuk spelletje! Dit ga ik nog jaren volhouden: er valt nog genoeg te verbeteren.

De Noordpool is een zuidpool!

Waarom werkte mijn kompas gisteren niet? Een mogelijke verklaring…

In de categorie kip-ei problemen, komt bij mij regelmatig de vraag naar boven of de Noordpool een noordpool is of een zuidpool.

Een magneet bestaat (vrijwel altijd) uit een noord- en een zuidpool. 220px-VFPt_cylindrical_magnet_thumb.svg[1]Knip je hem in tweeën, dan ontstaan er twee magneten met ieder op zijn beurt weer een noord- en een zuidpool. Een kompasnaald heeft ook een magneetje in zich (dikwijls er onder bevestigd). Dat magneetje heeft dus ook en zuid- en noordpool.

Mijn vraag is eigenlijk of de noord- of de zuidpool van dat magneetje naar de noordpool wijst.

Immers, tegengestelde polen trekken elkaar aan. Dus een magnetische noordpool trekt een magnetische zuidpool aan. Als de Noordpool een noordpool is wijst dus de zuidpool van de magneet in het kompas naar het noorden.

Wat zoekwerk leert: de magnetische noordpool van een magneet wijst naar het Noorden. Deze kant van de magneet in een kompas is dus in de richting van de N bevestigd, het dikwijls rode deel van de naald. De Noorpool is dus een magnetische zuidpool.

Geen wonder dat mijn kompas gisteren in de war was, want dat was voor mij ook wel even slikken.

De vraag blijft welke lolbroek in het Nederlands “zuidpool” met een Z heeft geschreven, terwijl zowel vanuit het Oosten als het Westen de Z een N is.

It’s all about speed

That’s great: at the bottom of this page, you can enter your own time and distance!

While running, I’m often wondering: while orienteering, it’s “which way?”, on the road, it’s “how fast?”. Like: “I am now running at a pace of 4’01”, I’m halfway my 1 km interval, how much fasther should I run to get to an average of 3’59” by the end of this interval, and how much does that differ on half a marathon?”. That type of questions.
[Dutch version]

Some time ago, I discussed (and calculated!) that you shouldn’t be thinking while running, at least not when you already know whereto and how fast, but that is even more a motivation to do that beforehand. And, while running, dig the answers from your memory. That’s the reason for this article.

Let’s start simple: for once and for all -and that will be this year- I want to finish the Half Marathon within the one-and-a-half. So, that is 21.098 kilometer in 90 minutes. Dividing those figures results in a speed of 14.06 km/h (or 8.74 mph). With some experience I gained, I got a feeling for that speed. But still, it’s better to comprehend when express it as 234 meter per minute. And it sounds quite fast when I say 3.91 m/s (meter per second), which is about twice what I’m tall.

Since I take part in Orienteering races, the pace started to make sense to me (and because my GPS watch tells me). And now I know what it means to run 416”/km (4 minutes and 16 seconds per kilometer, or 652”/mile). The distance between two 'hectometerpaaltjes' (100 m signs)...I get a feeling for it. And, because I know that I have to keep that pace on the Half Marathon, it’s my reference for everything. 4’00” /km sounds already very quick, but recently, while training intervals with some colleagues, we incited each other easily to below 03’50” /km, and even with a sprint at the end, of 03’40” /km. Yet again, it’s easier to survey 100 meter than 1 km, especially when you want to estimate a distance on the road (the same as between the two ‘hectometerpaaltjes’). And, for my desired pace, I need to accomplish those 100 m within 25.60 seconds.

In my case, per 100 m, that is about double paces, representing 1.29 2pace/second, or 77 2pace per minute. In the past, I have looked into the relation between speed and heart-rate, (see my article Linschoten Loop on my blog), but I assume that that changes with time, with your training history, and with the terrain. And there is no space for that discussion here.

But what occupies me most, on my way, are the relative differences: how much faster should I run per 100 meter to finish one minute quicker? And, while running, I am typically not fit enough to realize that one minute contains about 60 seconds, so for each individual kilometer of the 21, that is let’s say 3. Or 0.3 seconds per 100 meter. That’s nothing! If that’s all for a finish time that’s one minute better, give me 10!

Below, a table, to observe the trends:

time speed pace difference
hh:mm km/h m/min m/s min/km s/hm % s/km s/hm pas/s pas/min
01:20 15.82 264 4.39 00:03:47.54 22.75 1.45 87.02
01:25 14.89 248 4.14 00:04:01.76 24.18 1.18 2.84 0.28 1.36 81.90
01:26 14.72 245 4.09 00:04:04.61 24.46 1.17 2.84 0.28 1.35 80.95
01:27 14.55 242 4.04 00:04:07.45 24.75 1.16 2.84 0.28 1.33 80.02
01:28 14.38 240 4.00 00:04:10.30 25.03 1.14 2.84 0.28 1.32 79.11
01:29 14.22 237 3.95 00:04:13.14 25.31 1.13 2.84 0.28 1.30 78.22
01:30 14.06 234 3.91 00:04:15.98 25.60 1.12 2.84 0.28 1.29 77.35
01:31 13.91 232 3.86 00:04:18.83 25.88 1.10 2.84 0.28 1.27 76.50
01:32 13.76 229 3.82 00:04:21.67 26.17 1.09 2.84 0.28 1.26 75.67
01:33 13.61 227 3.78 00:04:24.52 26.45 1.08 2.84 0.28 1.25 74.85
01:34 13.46 224 3.74 00:04:27.36 26.74 1.07 2.84 0.28 1.23 74.06
01:35 13.32 222 3.70 00:04:30.21 27.02 1.06 2.84 0.28 1.22 73.28

You may have noticed that for every minute you subtract from your projected finish time, the required increase in speed, per minute, becomes larger. Not only the speed itself –that’s obvious– but the speed difference too. Meanwhile, the difference in pace is always the same. The relative difference, in %, of the time per 100 m changes, but the absolute difference, in s per 100 m, stays the same. It’s all logical, but it may be practical to remember while you’re on the go: time over distance (pace) is linear as a function of the finish-time; speed, and relative changes in pace, are inversely proportional.

When you run the first half 1″ per km slower than the 416”/km you should run, you will have to catch up those 21.098/2 s during the second half. To do that, you will have exactly half of the total 21098 m available. So you have to run exactly 1″ faster per km, than the overall average. The net difference is 2″/km with respect to you pace in the first half. Sounds easy.

For 1:30:00, you will have to run precisely 4’15.98”/km. Your GPS is not that accurate, but fortunately it’s close to 4’16”/km. However, you will just miss your target time by 19 ms. That is 19 milliseconds –not much, but all your hairs grow about one atom in that time, still at total of about 1/100 of a mm altogether. You miss your target by 7.1 cm! But, if you would have run 4’15”/km (the difference is hardly visible on your GPS watch), that will gain you advantage of 21 s at the end. Just a matter of approximation. Again, this a figure that is easily remembered: for every 1 second you run faster than planned, on a distance of 21.098 km, you gain in the end as many seconds as there are kilometers. For every distance!

If your run a a bit slower, and have to cache up at the end, then it may be interesting to express that lag in meters. Just as if, at that moment, you pick another runner -who keeps running at a constant pace- that many meters in front of yourself, and strive to overtake him right at the finish. Suppose, you ran 1 second to slow per kilometer. Then, at the end, you have to catch up that 21.098 s lag, what, right at the end (which is in fact too late) boils down to 82 meter. This way, it sounds quite tough. And, when you find out 1 km before the finish, that all the time you aimed at a pace 01:31:00, one minute too slow, then you have to overtake, in that last km, someone who, at that moment, is 223 meter in front of you. No, you’re not going to make that.

There are a few things to remember: Suppose you’re in terrific shape, and it goes very smooth. You can keep a pace of 4’00” /km, then you will finish at 01:24:23 Fantastic! To get a feeling for those finish times, I have written them on a dial: thinking in time like an old-fashioned clock is -for me at least- still the most intuitive representation. On top of the dial it says 4’00”, and ever second/km more counts clockwise. Can you print this one on your retina?

The moral of the story? Just run just below the 4’16” /km, and you need not think about anything. That saves a lot of energy!

But the best about this page is maybe that you can change all the numbers to your own pace! Just enter here, km, the distance your are about to run, and here, , your planned finish time. And see what happens with all the figures on this page…

Alles draait om snelheid

Da’s leuk: je kan onderaan deze pagina je eigen tijd en afstand invullen!

Tijdens het lopen loop ik vaak te denken. Bij het oriënteren vooral “waarheen?”, op de weg vooral “hoe snel?”. Zo van: “Ik loop nu 4’01”, ben halverwege mijn 1 km interval, hoeveel harder moet ik om 3’59” te lopen aan het eind van de kilometer, en hoeveel scheelt dat uiteindelijk op de halve marathon?”. Dat soort vragen. [Enlish version]

Nou heb ik al eens uit lopen rekenen dat je eigenlijk helemaal niet moet denken tijdens het rennen, althans, niet als je al weet waar heen je moet en hoe snel, maar dat is des te meer reden om dat denken vooraf te doen, en onderweg de antwoorden uit je geheugen te putten. Vandaar dit verhaal.

Laten we simpel beginnen: ik wil ooit, en dat gaat dus dit jaar worden, de Halve onder de Anderhalf Uur lopen. Dat is dus 21.098 kilometer in 90 minuten. Op elkaar delen levert een snelheid op van 14.06 km/h. Met wat ervaring heb ik wel gevoel voor deze snelheid, maar het is toch beter te behappen als ik het uitdruk als 234 meter per minuut. En het klinkt best snel als ik er 3.91 m/s (meter per seconde) van maak, ongeveer twee keer mijn lichaamslengte.

Sinds ik oriënteer is ook het tempo me wat gaan zeggen (en omdat mijn GPS horloge het aangeeft), en weet ik ook raad met 416”/km (4 minuten en 16 seconden per kilometer). De afstand tussen twee hectometerpaaltjes...Maar dat is meer gevoel. En omdat ik weet dit tempo op de Halve te moeten gaan halen, relateer ik daar van alles aan. 4’00” /km voelt al behoorlijk rap, maar laatst intervallen gelopen met collega’s, en dan haas je elkaar snel tot onder de 03’50” /km, met een eindsprintje van 03’40” /km. Toch kan ik ook hier 100 meter weer beter overzien, ook om qua afstand in te schatten (dezelfde afstand als tussen twee hectometerpaaltjes), en bij het gewenste tempo moet ik die binnen 25.60 seconden afleggen.

In mijn geval is dat ongeveer, per 100 m, dubbele passen, wat neerkomt op 1.29 2pas/seconde, of 77 2passen per minuut. Het verband tussen snelheid en hartslag heb ik wel eens uit lopen zoeken, (zie de Linschoten Loop op mijn blog) maar volgens mij verandert dat ook in de tijd, met hoe goed je getraind bent, en het terrein. Laten we dat hier even vergeten.

Maar wat me vooral het meeste bezig houdt onderweg zijn de relatieve verschillen: hoeveel moet ik nu sneller lopen per 100 meter om een minuut eerder te finishen. En typisch ben ik onderweg niet scherp genoeg om te bedenken dat één minuut grofweg 60 seconden bevat, dus per enkele kilometer van de 21, pak hem beet 3 seconden, oftewel 0.3 s/hm. Dat is helemaal niets! Als dat alles is voor een één minuut snellere eindtijd, doe mij er dan maar 10!

Hier onder een tabelletje, om de trends te zien:

eindtijd snelheid tempo verschil
hh:mm km/h m/min m/s min/km s/hm % s/km s/hm pas/s pas/min
01:20 15.82 264 4.39 00:03:47.54 22.75 1.45 87.02
01:25 14.89 248 4.14 00:04:01.76 24.18 1.18 2.84 0.28 1.36 81.90
01:26 14.72 245 4.09 00:04:04.61 24.46 1.17 2.84 0.28 1.35 80.95
01:27 14.55 242 4.04 00:04:07.45 24.75 1.16 2.84 0.28 1.33 80.02
01:28 14.38 240 4.00 00:04:10.30 25.03 1.14 2.84 0.28 1.32 79.11
01:29 14.22 237 3.95 00:04:13.14 25.31 1.13 2.84 0.28 1.30 78.22
01:30 14.06 234 3.91 00:04:15.98 25.60 1.12 2.84 0.28 1.29 77.35
01:31 13.91 232 3.86 00:04:18.83 25.88 1.10 2.84 0.28 1.27 76.50
01:32 13.76 229 3.82 00:04:21.67 26.17 1.09 2.84 0.28 1.26 75.67
01:33 13.61 227 3.78 00:04:24.52 26.45 1.08 2.84 0.28 1.25 74.85
01:34 13.46 224 3.74 00:04:27.36 26.74 1.07 2.84 0.28 1.23 74.06
01:35 13.32 222 3.70 00:04:30.21 27.02 1.06 2.84 0.28 1.22 73.28

Wat bijvoorbeeld opvalt is bij elke minuut dat ik sneller loop, de benodigde snelheidstoename, per minuut, steeds groter wordt. Maar het verschil tussen de tempo’s is steeds gelijk. Het relatieve verschil, in %, van de tijd per 100 m varieert, maar het absolute verschil, in s per 100 m, is telkens gelijk. Op zich logisch, maar handig te onthouden voor onderweg: tijd per afstand is lineair in de termen van de eindtijd; snelheid, en relatieve tempoverschillen, zijn omgekeerd evenredig.

Als ik de eerste helft 1” per km langzamer loop dan de 416”/km die ik zou moeten halen, moet ik in de tweede helft dus die 21.098/2 s inhalen. Daar heb ik in meters weer precies de helft van 21098 m voor tot mijn beschikking, dus moet ik per km precies 1” sneller lopen dan gemiddeld. Het netto verschil is dan 2”/km ten opzichte van het tempo op de eerste helft. Klinkt alsof dat met twee vingers in de neus moet lukken.

Voor de 1:30:00 moet ik precies 4’15.98”/km lopen. M’n GPS is niet zo nauwkeurig, maar gelukkig ligt dat vlak bij de 4’16”/km. Toch zou ik net mijn streeftijd missen met 19 ms. Op een haar na? Slechts 19 milliseconde –niet veel, maar in die tijd groeien al m’n haren ongeveer een atoomlengte, wat bij elkaar op iets van 1/100 mm haar neerkomt, 5 keer minder dan 1 haar dik is. Maar je raakt de finishlijn op 7.1 cm na! Als ik nou 4’15”/km zou lopen (het verschil is op mijn GPS horloge niet te zien) levert dat me op het eind ruim 21 s voorsprong op. Kwestie van afronden. Ook dit getal is weer heel eenvoudig te onthouden: als ik op 21.098 km elke km 1 s sneller loop dan gepland levert me dat op het eind evenveel seconden als kilometer op.

Loop ik nou wat langzamer, en moet ik dat gaan inhalen op het eind, dan is het interessant hoeveel dat is uitgedrukt in meters. Alsof ik op dat moment een loper op evenzoveel meter voor me kies -die constant tempo blijft lopen-, en ik die vervolgens in ga halen. Stel, ik loop per kilometer 1 seconde te langzaam. Dan moet ik op het eind die 21.098 s achterstand inhalen, wat, helemaal op het eind (eigenlijk is het dan dus al te laat) neer komt op 82 meter. Zo klinkt dan dan weer best pittig. En kom ik er 1 km voor de finish achter dat ik heb ingezet op een tempo dat neerkomt op 01:31:00, een minuut te lang, dan moet ik in die laatste ene km iemand inhalen die op dat moment ruim 223 meter voor me loopt. Nee, dat gaat niet meer lukken.

En dan zijn er nog een paar dingen handig te onthouden: Stel dat het nou heel lekker gaat, en ik precies 4’00” /km loop, kom ik op 01:24:23 op de hele afstand uit. Fantastisch! Om gevoel voor deze tijden te krijgen heb ik ze maar eens op een wijzerplaat getekend: denken in tijd als een ouderwetse klok is -voor mij althans- nog steeds het meest intuïtief. Bovenaan de wijzerplaat staat 4’00”, en elke seconde er bij telt rechtsom.

De moraal van dit verhaal? Loop gewoon net onder de 4’16” /km, en je hoeft nergens over na te denken.

Maar het leukste aan deze pagina is misschien wel dat je alle genoemde getallen gewoon kan aanpassen aan je eigen tempo! Vul hier, km, de afstand in die je wilt gaan lopen, en hier, , je streeftijd. En zie wat er gebeurt met de waardes op de pagina…

Zo moet het dus! Lenteloop Complex Zuid

Wat ging dat lekker! Zie je trouwens rechts-boven een samenvatting van deze wedstrijd staan? Dat is nieuw. Heb ik alle relevante getallen en links naar kaart, video, splits en uitslagen in gezet. Alleen wil dit nog niet printen, maar daar vind ik wel wat op.

Terug naar de wedstrijd. Sowieso weer een mooi avontuur. Voor het eerst een sprint, korte afstandjes, veel posten, en in een “stedelijke” omgeving. Nou ja, stedelijk? We liepen over een schijnbaar verlaten militair kazerne-terrein. Tanks her en der, maar nergens mannetjes in groene pakken te zien. Door alle gebouwen en andere objecten was het echter uitstekend oriënteren. Soms was er geen kunst aan!

Gezellig meegereden naar de locatie, met 5 man in de auto. Dat verhoogt al de voorpret, en het is een stuk relaxed-er dan wanneer ik zelf, uiteraard net iets te laat, naar de start scheur. De hele auto zat zich al te verheugen.

Au! Een Sprint…

De langste afstand was, in vogelvlucht, 5800 meter. Best kort, dus ik dacht er nog even over om twee omlopen te doen. Maar het bleek maar goed dat ik dat niet deed, want sprint is ook echt sprint, en bij de finish voelde ik dat ik alles gegeven had. Pittig! En leuk, om zo hard te gaan. Misschien let ik de volgende keer tevoren wel beter op als ik mijn tas inpak, en stop ik mijn weg-schoenen er in in plaats van mijn nieuwe Inov-8’s met stalen noppen. Want die maken zo’n herrie op straten en stoepen, waar het hier vol mee lag.

Even had het er op geleken dat ik niet eens ging starten. Op weg naar de start-locatie namelijk, lette ik niet goed op, keek wat om me heen, verbaasde me dat mijn GPS-horloge maar 4 satellieten zag, en miste een laag hekje, waardoor ik voor ik het wist zijwaarts door de lucht vloog, hard op mijn heup landde, en een paar millimeter vlees van mijn elleboog bij wijze van kreukelzone op het asfalt achterbleef, verruild voor mos en modder in de wond. Au!

Tanden op elkaar, doorlopen naar de start, en niet zeuren. En warempel, zodra het piep-piep-piep-pieieieieieiep had geklonken van de start-timer, geen seconde meer aan gedacht. In elk geval geen 5, wat het verschil had gemaakt tussen een 7e en 8e plek.

Andere regels

Hier mag je niet overheen of doorheen
Hier mag je niet overheen of doorheen. Herken je ze allemaal?

Het was dus een sprint. Achteraf hoorde ik dat dat betekent dat er ook andere regels gelden. Eentje daarvan is dat je hekjes, laag of hoog, die op de kaart staan niet over mag. Als je goed kijkt zie je dat er twee lijn-diktes worden gebruikt. Zou dat het verschil maken? Het is lastig al rennend het verschil in lijn-dikte te beoordelen. In dit geval stond er een post net over een laag hekje heen. Je kon er omlopen, dat scheelde 3 meter. Maar je kon er vanaf de andere kant ook heel makkelijk bij, zonder over het hekje heen te klimmen. Gewoon met de hand. Mag dat? Ik hoorde achteraf van niet. Hoeveel mensen zouden zijn omgelopen?

Ik vind het wel een gemene situatie, in dit geval. Als dit echt een punt van disqualificatie was, vind ik dat de baanlegger een overtreding hier ook wel uitlokte. De post zie je vanaf 100 meter al staan, je rent er recht naartoe, strekt je arm en legt de EMIT in, en rent verder. Dat de post over het hekje stond valt nauwelijks op. Wat vinden jullie?

Hier mag je wel passeren
En deze kenmerken mag je juist wel passeren. Soms lijken ze aardig op wat niet mag. Een hek met enkele dwarsstreepjes is dus toegestaan te passeren.

En zijn er nog meer van dit soort regels? Ja, je kan ze hier, op de IOF site, nalezen. Dikke lijnen (met of zonder dubbele dwarsstrepen): muren, railings, pijplijnen en kliffen die verbodenzijn. Meren met een zwarte lijn er omheen: ook verboden. Tunnels eveneens, tenzij anders aangegeven. En je mag ook niet over gebouwen heen.

Dan zie ik nog een speciale kleur donker-groen en groen-geel. Laat er eergisteren nou net bij post 11 zo’n dicht begroeide aarden wal gelegen hebben, waar iedereen overheen is gegaan, aan het spoor te oordelen. Allemaal gedisqualificeerd! Of lijkt het groen alleen maar donkerder dan dat van langzaam bos?

Ook interessant te lezen dat ‘controls may not be placed inside caves’. Ik moet ineens aan post 5, 10 en 26 van afgelopen donderdag denken, met het ‘cave’ symbool in de postomschrijving.

Nog beter?

Terug naar mijn resultaat. Ik heb zelden zo goed gelopen. Misschien ben ik gewoon goed als het om snelheid gaat, en niet om zoeken in natuurlijk terrein. Maar 8e van een veld van 60 deelnemers smaakt naar meer. In plaats van op mijn lauweren te rusten vraag ik mij af: Hoe doe ik het de volgende keer nog beter?

  • Bij post 5 maak ik ineens een gekke draai, nadat ik er aanvankelijk recht op af liep. Zag ik een andere loper? Nee, ineens een ondergrondse ingang. Dat zal hem wel zijn!? Kijk op de kaart, man! En vervolgens naar 6. Helemaal de kluts kwijt, loop ik recht op het heuveltje af, klim dwars door brandnetels een put in, ploeter er weer uit, en vind de post. Dat dan weer wel.

    Ik liep 4″43′ langzamer dan de winnaar. Op de 35’06”. Dat is dus iets meer dan 10%. Maar dat is gemiddeld. Een paar posten springen er echt uit. Naar 6, 15, 19, 25 en 28 liepen de snellere lopers 25 tot 60% sneller dan ik. Waarschijnlijk vooral omdat ik daar liep te klooien op zoek naar de post.

  • Stel nou eens dat ik die net zo snel gevonden had als de rest. Dan had me dat 47″ + 7″ + 10″ + 20″ + 9″ = 93 seconde gescheeld. Anderhalve minuut. Daar win ik dus niet mee. Scheelde me 1 plaats, maar die had ik al gewonnen door 5 seconde sneller te lopen.

 

  • Dit is dan 19. Ik kom aan vanuit het westen. In een boogje naar de post. Maar daarna, wat doe ik dan? Slaat nergens op.

    Had ik harder kunnen lopen? 5’17″/km is langzamer dan wat ik op de halve marathon haal: dat is 4’18″/km. Maar ja, dit is wel ander terrein, dus of dat ooit gaat lukken is de vraag. Toch geeft het aan dat er ruimte is voor verbetering.
    In elk geval loopt de winnaar vrijwel overal sneller dan ik, en dat komt niet altijd door mijn zoek-talent. Dus ik moet ook zorgen dat ik harder ga. Het is per slot van rekening maar een paar km, zo’n sprint.

 

  • 24 had ik wat slimmer kunnen aanlopen. Ik zie dat ik vooral veel snelheid verlies, omdat ik, in het bos nog, al denk dat ik er ben en ga zoeken. Op weg naar 25 vertel ik me ook: mijn passen zijn korter dan gedacht, en ik houd al te vroeg in. Bovendien zijn er wat "interessante" putjes in de grond, op plaatsen vergelijkbaar met waar ik eerder een post vond.

    Het EMITten had ik dit keer aardig in de vingers. Tevoren post-nummer gecheckt en kaart gekeken voor vervolg, blijven kijken naar je hand bij inleggen, en EMIT oriënteren naar post vlak voor ik er was. Dus daar valt niet veel meer uit te halen.

  • Had ik kortere routes kunnen kiezen? Dat ik nog een leuke vraag. Laten we dat eens analyseren.

Kortste routes

Terwijl ik aan deze alinea begin heb ik hoge verwachtingen. Maar nu ik beter kijk valt het aantal benen dat een spannende routekeuze oplevert vies tegen. Ik kan er maar 4 vinden waar ik een beetje twijfel bij heb. We meten het even na:

Op weg van post 1 naar 2 kan je op vier manieren lopen. Groen is in het plaatje de kortste optie (371 m), blauw en magenta (mijn route), zijn even lang (381 m), en rood is met 384 m het langst. Maar het scheelt hooguit 13 meter. Wat is dat nou?



Van 2 naar 3 zijn er ook twee mogelijkheden, maar hier is de groene met 245 m overduidelijk korter dan de rode route van 267 m.



Van 8 naar 9 kan je ook op meerdere manieren, maar het verschil lijkt duidelijker dan het is: 14 meter op een totaal van 282 m. Nou ja, dat is toch 5%, dus als je een paar procent wilt winnen is dit toch lonend. Bovendien kom je dan bij 9 op een gunstiger manier aanlopen, en zie je de post al staan, alhoewel dat tevoren nog niet zo duidelijk was.



Op weg van 9 naar 10 viel 8 meter te winnen (of te verliezen, zoals ik deed). Maar ik denk dat dat op de echte kaart wel eens mee zou kunnen vallen, omdat de gebouwen wat breder zijn dan hier getekend. Alleen heb ik nog geen handig tooltje gevonden om op bitmaps te tekenen (ik kan ze wel als GoogleMap overlay in mijn browser krijgen) en om lengtes van lijnen/routes te bepalen (tekenen op een Google map gaat wel, maar dan weer niet op een Custom-overlay), dus heb ik hier Mapsource voor gebruikt.


En tenslotte was er nog het been van 25 naar 26. Ook hier weer blijk ik de juiste keuze gemaakt te hebben, en heb de 5 meter kortere route gekozen. Poeh, wat knap! Op de 258 resp. 263 meter maakt dat nou niet ze heel veel uit.

Conclusie

Sprinten is leuk! En ik ben er best goed in. Door geen foutjes te maken kan ik 30% van het verschil verbeteren; ofwel 4% van mijn tijd. Misschien kan ik nog 5% harder gaan lopen, maar 10% zit er denk ik niet in; het is geen recht parcours over asfalt. En met mijn kortste-route inzicht hier boven valt er ook nog wel 0.2% te halen. Ik kom nog 1-2% te kort dan voor een 1e plaats. Wat een uitdaging!

Oriënteringslopen of Oriëntatielopen?

PlOts bOtste Ondergetekende Onlangs Onverwacht Op Onderstaande Overweging:

Is het Oriënteringslopen of Oriëntatielopen?

Ik dacht altijd het eerste, maar ik kwam een flyer tegen, ik denk van de NOLB, waarop in rood-witte sierletters Oriënteringslopen staat. Prompt heb ik de titel van mijn weblog aangepast. Toch zat het nog niet lekker. Ik heb deze vraag dus maar op het I-OL.nl forum gepost. Er ontstond meteen een discussie. Nu, een paar maanden later, is deze wel uitgedenderd.

Koen schrijft:

Nederland gebruikt oriënteringslopen, België oriëntatielopen. Zelf geef ik ook de voorkeur aan de tweede. […]

Oriëntering zie ik vooral bij Defensie, geen idee waar die verschillen ooit ontstaan zijn!

In het Engels is het duidelijk; daar heet het orienteering (wat ook makkelijker typt, zonder ümlaut). Maar ook in Zweden en Noorwegen heet het orientering, zij het met één “e”. Op zich klinkt het dan logisch als het Nederlandse woord in navolging daarvan “oriëntering” zou zijn.

Maar ja, een woord is een woord, en het kan vele oorsprongen hebben. (Zo zal het je verbazen -dat deed het mij althans- waar de uitdrukking “dat is toch baanleggerij van lik-me-vestje” vandaan komt.) Misschien moeten we het daar zoeken.

Clemens schrijft:

In de beginjaren van de NOLB heeft het oriëntatielopen geheten. Ik ben geen specialist maar als ik het me goed herinner is oriëntatielopen niet correct Nederlands en heeft iemand uit de beginjaren van de NOLB dit destijds gewijzigd. OL is afgeleid van het werkwoord oriënteren.

Dat geeft houvast. Er is maar één werkwoord oriënteren. Maar tegelijkertijd zijn er wel twee zelfstandig (of zijn het zelfstandige?) naamwoorden  aan verbonden: oriëntatie en oriëntering. Dat maakt het lastig. En als je er dan weer een werkwoord van maakt door er -lopen achter te plakken, heb je dus twee mogelijkheden, oriënteringslopen en oriëntatielopen.

Als je de diverse online woordenboeken er op na sla (een mooi overzicht van diverse bronnen krijg je via www.encyclo.nl voor orientering en orientatie), zie je beide woorden oriëntering en oriëntatie voorkomen, maar net als op de site van de Nederlandse Taalunie, komt wel oriëntatieloop voor, maar niet oriënteringsloop. Terwijl de NOLB nu juist officieel de “Nederlandse Oriënteringsloop Bond” heet (en toch beide woorden op haar site regelmatig voorkomen, net als bij de andere verenigingen, trouwens).

De betekenis van de woorden oriëntering en oriëntatie is echter een beetje verschillend, volgens de woordenboeken:

  • oriëntering is het draaien of richten van iets, een rotatie uitvoeren (bijvoorbeeld het oriënteren van de kaart mbv. een kompas tov. het landschap); het zich-oriënteren; dus het doen
  • oriëntatie is het vermogen tot plaatsbepaling ten opzichte van de omgeving; de plaatsbepaling; het georiënteerd zijn

Maar heel duidelijk is het onderscheid niet. Beide woorden kunnen op zowel de relatieve plaatsbepaling, als de relatieve richting slaan. Zou het verschil dan zitten in de betekenis uitgang van het woord? Andere woorden die een vergelijkbare -tatie/-tering variant kennen zijn:

  • argumentatie/argumentering
  • facilitatie/facilitering
  • fragmentatie/fragmentering
  • implementatie/implementering
  • interpretatie/interpretering
  • limitatie/limitering
  • reglementatie/reglementering

Echter, deze hebben allemaal in beide gevallen dezelfde betekenis, waarbij moet worden opgemerkt dat de -tatie variant verreweg het meeste voorkomt. Een paar woorden hebben echter een verschillende betekenis afhankelijk van de uitgang:

In meer of mindere mate kan je hier, net als in orientatie/orientering, een zijn en een doen in zien. Maar het blijft een grijs gebied. Het helpt dus niet erg om naar andere woord-uitgangen te kijken.

Als je het zo leest doen we aan oriëntering, we bepalen onze plaats, en onderweg doen we af en toe aan oriëntering van de kaart of ons zelf. Dat laatste dan bij de minder bedrevenen (waaronder ik zelf) veelal stilstaand, waardoor oriënteringslopen dan even wat minder voorkomt (maar daar wordt aan gewerkt).

Het doel is daarentegen wel de oriëntatie van onszelf. Als je het goed doet ben je niet aan het oriënteren, maar houd je de oriëntatie van start tot de finish vast. En gaat het behalve om kunnen hardlopen ook om het vermogen tot plaatsbepaling: oriëntatie.

Oriëntatie is meer de essentie van de sport dan oriëntering.

Pragmatisch kan je stellen dat het er om gaat dat men weet wat er bedoeld wordt. En ik denk, net als Alfred op het forum, dat het Nederlandse oriënt/erings/atie/lopen al een stuk eenduidiger is dan het Engelse orienteering (zonder lopen). Dus waar hebben we het over? We mogen toch zelf bepalen hoe het heet wat we doen?

Het moois is nog Walters observatie:

Op Vlaams niveau (VVO) spreken we over “Vlaams Verbond voor Oriënteringssporten” terwijl dit op het nationale niveau (BVOS) “Belgisch Verbond voor Oriëntatiesporten” is.

In België hebben ze dus gewoon officieel de keus! Of promoveer je van oriëntatie- naar oriënteringsloper zodra je op nationaal niveau gaat presteren? Is oriëntering die zwarte band onder de oriëntatie?

Ten slotte kan je je afvragen wat wij als lopers nou eigenlijk zijn: Oriënteerders, Oriëntatielopers, Oriënteringslopers of Oriënteurs? Ik houd het bij Oriënteurs. Gewoon, omdat ik dat een mooi woord vind. En omdat het korter is dan hic-qui-scit-accedere-ad-propositum.

Stress op de Oostappense Heide

Gejeremiëer KaartHeadcam Video op YouTubeSplitsbrowser

Het heeft even geduurd voordat ik mijn blogje over de laatste loop op de Oostappense Heide had bijgewerkt, maar dat heeft een reden. En die is onderdeel van het verhaal. Was ik meteen gaan typen, dan was het een klaagzang geworden.

Want het ging niet lekker, dacht ik. Tot ik de Splits zag, en opviel dat ik de eerste helft tussen plaats afwisselend tussen plaats 3 en 6 liep. Helemaal niet verkeerd, bij 24 lopers!

De Splits waren echter nog niet meteen beschikbaar, zodat ik twee dagen in mineur was. Door een last-minute update van omloop 1 waren de Ocad file, de Helga file, de postomschrijving, de kaart, en de gelopen route niet meer helemaal het zelfde. En dan raakt de PC van de wap, zodat de online-uitslagen van omloop 1 niet meer werkten. Wat wel werkt is de gecorrigeerde Splitsbrowser file op mijn eigen servertje; en daar werd ik weer blij van. Nou ja, ten dele.

Wat niet werkte was mijn hoofd. In de 2e helft van de koers. Twee aanleidingen, één redenen:

  • Ik raakte in de war omdat de postnummers in ‘t veld niet klopten met de postomschrijving. En ging tot twee keer terug (zie ook het wedstrijdverslag). Gebrek aan concentratie was het gevolg.
  • Ik onderschatte de posten die ik de dag er voor zelf had uitgezet, en liep juist dáár verkeerd. Terwijl ik daar het gevoel had dat ik het juist goed moest doen. Frustratie en onzekerheid volgden.

Stress

En de reden dat het niet lekker liep was toen stress. Een effect waar je wel vaker over leest, en de reden waarom je altijd moet zorgen dat je gegarandeerd de 1e post probleemloos vindt (lees Luc Cloostermans). Maar de 9e en 19e zijn dus ook cruciaal, zo blijkt.

Stress? Ja, een gevoel dat ik haast heb. Tijd gebrek. Klinkt triviaal, in een wedstrijd, en ook is een dosis spanning essentieel. Maar niet als dat tot een te sterk gevoel leidt dat je iets hebt goed te maken, te compenseren. Door bijvoorbeeld stukjes af te snijden.

Afsnijden om het afsnijden, niet omdat het sneller is.

Juist omdat je dat toch al moet doen, als het sneller is ten minste, in een O-loop, kan je alleen maar meer afsnijden als dat extra risico inhoudt. Of je gaat afsnijden om het afsnijden, niet omdat het sneller is. En niet op de kaart kijken, omdat je gokt “dat het wel klopt”, en niet-kijken ietwat tijd scheelt. Of kaartcontact verliezen, omdat je denkt straks wel weer te herkennen waar je bent. En dat alles omdat je tijd in wilt halen. Of er althans een piepklein kansje is dat het tijd scheelt.

 

Niet doen, dus! Niet in de stress schieten. En zorgen dat, als dat gebeurt -en dat zal toch wel, want dat verander je niet zo maar-, je er wijs mee omgaat. Dus ondanks de spanning, tijd blijven nemen voor dingen die je anders ook zou doen. Je kan niet inlopen door de juiste route te verwaarlozen. Hooguit door harder te rennen waar dat kan (wat dan weer zuurstof en dus scherpte kost – dus het kan ook tegen je werken). En misschien door verstandige risico’s te nemen. Maar daarin zit hem juist de crux: schat je de risico’s wel goed in als je gestressed bent?

Ik denk het niet. Ik denk dat ik, onder druk, juist even voor rust moet kiezen, niet door langzamer te gaan, maar door op zeker te spelen. Die verloren tijd is jammer, maar loop ik niet meer in. Als ik er niet nog meer tijd door verlies is dat de grootste winst. En het is vaak al twijfelachtig of doorsteken tijd oplevert; dan kan ik beter even flink doorlopen op het pad, en zo een gegarandeerd aanvalspunt voor de volgende post benutten.

Tot zo ver de verbeterpuntjes van deze loop. Hoe ging het in het veld?

De wedstrijd

Het eenvoudigst is gewoon deze Headcam video te bekijken. Want ik heb weer met een camera op mijn hoofd gelopen. En dit is het resultaat van een Contour Roam, een Garmin Foretrex 305, Quickroute, RGMapVideo, en een halve dag rekentijd. Oordeel zelf.

Leg 1 ging er meteen fel tegenaan: 4’22″/km. En leg 2, dwars overal doorheen, was met 5’34″/km ook niet slecht. Leg 3 liep ik wat te ver, vreemd genoeg, nadat ik er aanvankelijk recht op af was gelopen. Leg 5 en 6 verdeed ik wat tijd met kaartlezen.

En bij leg 7 had ik veel beter het pad kunnen nemen, maar, ietwat overmoedig, ging ik door het veld met 1 meter hoog gras. Op het been naar 8 liep ik eerst achter Frank Buytaert, denk ik, aan, maar dat hiel ik toch niet vol. Daarna kwam het lange been naar 9, dat met 5’45″/km nog best rap ging, maar met 34.1% extra afgelegde afstand ten opzichte van de rechte lijn, was het geen geweldige prestatie; het was ook de 16e tijd in de splits. Hier begon ik toch al wat stomme dingen te doen, en hield geen goed kaartcontact. Ik meende al te weten waar de post stond, en dat ging dus fout.

Vanaf dat moment gingen dingen minder goed. Naar 10 viel nog mee, maar naar 11 toe kon ik de post niet goed vinden, en ging te vroeg al vertragen. Beter had ik het pad en de weg kunnen volgen. Legs 12 en 13 waren op zich goed, en ook redelijk snel, maar bij post 13 raakte ik in verwarring. Het post-nummer klopte niet, en ik heb bijna een minuut stilgestaan, speurend naar een andere heuvel met vlag, en kijkend op de kaart mijn positie toch echt wel klopte. Tot andere lopers aankwamen, en opmerkten dat er een post ontbrak in de nummering en alles 1 regel wat opgeschoven. Die laatste opmerking bleef bij mij niet hangen.

Legs 14 t/m 17 gingen weer aardig, maar post 18 had ik de dag tevoren weer zelf neergezet, en dus kon ik hem niet meer vinden. Zou ik hem te goed verstopt hebben? Ik denk dat ik hem gewoon heb onderschat. Leg 19 ging het fout. Een groot aantal lopers liep zo’n beetje samen van 18 naar 19, wat voor extra snelheid zorgde, maar ik ontdekte bij 19 opnieuw dat de nummering niet klopte. In plaats van in te zien dat dat voor alle laatste posten gold, ging ik er van uit dat de anderen het fout hadden, ik me mee had laten nemen naar de verkeerde post, en mijn post 19 elders stond. Zou dit dan al 20 zijn?

Pas na 5 minuten zoeken en dwalen was ik er zeker van dat deze 19 toch de juiste was. Maar toen was de vaart er al uit. Met 8’51″/km naar 20. En ook de route naar 21 was belabberd. Ik verloor kaartcontact, vertelde me bij het bijhouden van de paden die ik was gekruisd, telde geen passen meer, en concludeerde voortijdig dat ik door het donkergroene bos liep, terwijl het het groen-gearceerde perceel was. Waardoor ik na een doorsteek bij 22 belandde, in plaats van 21. De nummering was wel weer juist, maar dit was toch niet de bedoeling. Dus herorienteren, en op weg naar de echte 21. De 22 terugvinden was daarna eenvoudig, op een stuk prikkeldraad na.

Met wat goed te maken, ging ik op tempo 4’58” op weg naar post 23. Dat kostte me echter zoveel extra zuurstof en hartslag, dat m’n routekeuze naar 24 op zijn zachtst gezegd belabberd was. En naar 26 raakte ik van slag van iemand die nogal opgewonden stond te roepen dat de post verkeerd stond, waardoor ik ook ging zoeken. Hij stond gewoon 30 meter verderop, net als op de kaart. Het eindsprintje over de laatste 70 meter naar de finish kon niet veel meer goed maken.

Maar als ik uit de leermomenten mijn conclusies trek, en hier de volgende keer ook wat mee doe, was het een zeer productieve race.