Hergedefinieerd word je als Oriënteringsloper door zelf een kaart te maken. ‘t Blijkt meer dan een blik achter de schermen: het is alsof je een wedstrijd compleet binnenstebuiten keert.
Inleiding
Toen Peter mij een maand of drie geleden vroeg om de kaart te maken voor de NC3 op de Grote Heide zuid, kreeg ik een kleur van trots. Ik oriënteer pas 2 jaar, en -al gaat het me zeker niet slecht af- heb niet buitensporig veel ervaring. Maar deze eervolle opdracht nam ik graag aan.
Wat volgde was mezelf twee maanden lang voornemen om “morgen” op pad te gaan, af en toe hardlopen op Grote Heide, en ten slotte twee weken heel hard werken, vele uren op de hei (en in het bos voor zover dat er nog staat), en vaker dan me lief was nachtwerk achter de computer.
Het resultaat was een herziene kaart, en 7 leuke omlopen, al zeg ik het zelf.
Ik ben blij om alle positieve reacties te horen. Eerlijk, er is geen negatieve bij geweest. Eén opmerking was er over een pad dat niet op de kaart stond, maar dat was alles.
Al doende heb ik veel geleerd over de andere kant van de kaart: het perspectief van de kaarttekenaar die op papier tracht te zetten wat hij denkt dat de loper verwacht te zien. En over het leggen van banen met benen die stuk voor stuk tot onvermijdelijke routekeuzes zullen leiden. Wat zijn baanleggers toch schurken! Heerlijk!
Al met al een uiterst waardevolle ervaring, die ik iedereen aan kan raden. Met de juiste begeleiding dan, want zonder hulp van Peter en Adrie was het een regelrechte mislukking geworden. In het verslag hier onder zal ik proberen wat dieper in te gaan op wat ik geleerd heb.
Nuttig
Om succesvol oriënteringsloper te zijn hoef je geen banen gelegd, of een kaart getekend te hebben, maar het helpt wel. Het is niet als de ik persoon in Zen en de Kunst van het Motoronderhoud, (Robert Pirsig, 1974), die meent dat een motorrijder die niet weet hoe de techniek van het ding functioneert vroeg of laat hopeloos verloren strandt. Dat je moet weten, begrijpen hoe het ding werkt om er mee om te kunnen gaan. Anders is het rijden niet echt. En dat maakt dat er twee soorten motorrijders zijn. Zo zijn er ook twee soorten oriënteringslopers: zij die een kaart hebben gemaakt, en zij die dat niet hebben.
Nee, zo zwart-wit is dit natuurlijk niet. Maar het maken van een kaart leert je wel vanuit een ander perspectief te kijken waardoor wat er op de kaart staat in een ander licht komt te staan. En het leggen van een baan leert je op zijn beurt op een heel andere manier naar diezelfde kaart te kijken. Als je snapt, doorziet, hoe je je eigen banen hebt gelegd, zie je ook veel sneller hoe je ze het best beloopt. Trek dat door naar andermans banen, en je hebt de heilige graal van het oriënteren in handen.
Maar laten we ook weer niet overdrijven. De werkelijkheid die de kaart beschrijft is immers ook te aanschouwen zonder benul van het ontstaan van die kaart. En de benen van de baan zijn heel ondubbelzinnig de verbinding tussen telkens twee punten in het terrein. En wat daar tussenin op de kaart ligt is voor iedereen te zien (mits die kaart klopt). Doorzie je snel de juiste route, dan ben je er.
Bovendien geldt de eerste opmerking misschien nog wel sterker de andere kant op: het maken van een kaart leert je niet lopen, maar leert het lopen van een oriënteringsloop (en dat hebben we allemaal wel eens gedaan) je hoe je een kaart maakt, en wat je wel en niet tekent. En snap je hooguit als kaartmakende loper wat de tekortkomingen van een kaart zijn, en aan welke subjectiviteit de totstandkoming onderhevig is. Maar aan de andere kant, leert dat je wel de waarde van termen als perspectief, interpretatie, omstandigheden en relativiteit te betrekken op het lezen van de kaart. Je weet wat te tekenen als je weet wat je als loper wilt zien, maar als loper snap je dat je desondanks keuzes moet maken als je wilt tekenen wat je ziet. En er dus geen uniek juiste kaart is. Maar daarover straks meer.
Werkwijze
Kaart hertekenen
Ik ben begonnen met een bestaande kaart, oorspronkelijk uit 2005. Die heb ik uitgeprint, en ik ben 3 keer vrijblijvend het gebied doorgerend, op zoek naar de grote verschillen, die veel aandacht qua hertekenen zouden vergen, en naar mooie benen en geschikte locaties voor posten.
Het was al snel duidelijk dat het bijwerken van de kaart niet slechts een kwestie was van een lijntje hier en daar, omdat ruim een kwart van het terrein ofwel gekapt was, ofwel open was en nu dichtgegroeid. Waar het toen ruw open was (lichtgeel), blijken nu dichte bossen met dennenboompjes te staan (donkergroen), en witte bossen van toen zijn nu gekapt tot heide met losse bomen, plukjes bos, en grasveldjes. Vennen zijn drooggevallen, moerassen uitgegraven, en dode bomen van toen zijn vervallen tot stof, terwijl andere markante objecten zijn ontstaan. Bij het tekenen blijken er zelfs hoogtelijnen gegroeid te zijn, die er eerst nog niet waren.
Tijd om echt op pad te gaan. Ik heb een aantal gereedschappen geprobeerd. Zo tekende ik op polyestercalquepapier, of op print-outs (in Ocad’s draft mode) van de kaarten op 1:5000 schaal. Met stiften in O-kaart kleuren, of met grijs vulpotlood. Probeerde ik mijn aantekeningen te onthouden, schreef ze in de kantlijn, of op losse vellen kladpapier.
Het beste beviel het om met vulpotlood op calque te tekenen, geplakt over de uitgeprinte bestaande bestaande kaart, met daar onder een A4-tje van plastic golfkarton als stevige ondergrond: licht, waterproof, en stijf. Er ontstond een eigen codering van terreinkleuren en symboliek. Ik zette nummers op de kaart waar meer uitleg vereist was, en schreef in de kantlijn wat de nummers betekenden. Gebruik van verschillende kleuren potloden (ik heb ook vulpotloden in rood, groen en blauw) is toch niet zo praktisch. Waar laat je ze? Gewoon grijs vulpotlood, dat bovendien makkelijk gumt, leek het beste te voldoen. Misschien zijn meerdere verschillende kleuren handig als je met een nog blanco kaart begint.
Wel erg handig zijn een plaatkompas en een schaalverdeling van mijn wandelpassen op de gebruikte kaart. Dat werkt verbluffend nauwkeurig. Wandelpassen blijken een stuk minder afhankelijk van het terrein dan renpassen. Gum is ook praktisch onmisbaar. Het lukt met of zonder calque, maar calque maakt het wel makkelijk om bij het digitaliseren een overzicht van de wijzigingen te krijgen. Wat direct op de kaart is getekend zie je sneller over het hoofd. Wel lastig is het om aan te geven wat moet verdwijnen op de kaart, en tegelijkertijd te tekenen wat er voor in de plaats moet komen, zonder dat het achteraf een onleesbaar zooitje wordt. Misschien moet ik daarvoor mijn tweede kleur potlood/pen gebruiken?
Vervolgens kreeg ik handigheid met Ocad, ook omdat ik Peter een aantal hidden features zag gebruiken, die het leven wel heel erg veraangenamen. Of dat ook allemaal kan in OpenOrienteeringMapper moet nog blijken. En contouren in te voeren blijkt een los touch-tablet met pen wel handig. Om verschillende versies van de kaart te vergelijken is ImageMagick’s compare.exe een handigheidje: plak twee bitmaps van kaarten op dezelfde schaal over elkaar heen, en het verschil licht duidelijk op. Zo kan je ook bijvoorbeeld kleine verschuivingen in routes opsporen.
Ik had gelukkig een bestaande kaart beschikbaar als uitgangspunt. Ik kan me voorstellen dat anders luchtfoto’s en hoogtekaarten veel kunnen helpen, al zijn ze niet altijd up-to-date. Je dient dan ook verschillende bronnen te vergelijken, zoals Google’s, Yahoo’s, en Bing’s satelliet foto’s, op zoek naar de meest recente en bruikbare. Zijn er als vliegers met een camera er onder om snel vanuit de lucht het bos te inspecteren? Of kent iemand toevallig een luchtfotograaf?
Dilemma: beloopbaar of herkenbaar?
Één van mijn dilemma’s bij het tekenen is: teken ik wat te zien is om te herkennen waar je bent, of om de route te plannen tussen de posten? Ligt de focus op het aangeven van de beloopbaarheid of de herkenbaarheid?
Voor punt- of lijnkenmerken op de kaart valt het probleem nog wel mee (afgezien van dat ene stukje bos dat gescheiden wordt van het pad door achtereenvolgens een meter gras, een berm, een slootje, een aarden wal, een hoog hek, een meter ruw open met stukjes onderbegroeiing en en randje dicht bos; en dat alles samen nog geen 10 meter breed -het moest verboden worden-).
Maar bij grotere oppervlakken wordt het lastig. Is een strook dichter bos aan de rand van een wit bos groen van kleur omdat je, als je er staat, ziet dat het anders is dan de rest van het perceel, en je je daarmee kan oriënteren? Of laat je het wit omdat het groene plukjes van hooguit een paar meter breed zijn en je dus tussen die plukjes door op volle snelheid kunt blijven rennen? In de praktijk zal het er van afhangen of je dit specifieke voorbeeld slechts passeert op weg naar een post verderop, of dat je het getekende groen zult gebruiken om een naastgelegen post te lokaliseren. Met andere woorden: of je er grof of fijn loopt te oriënteren. Maar ja, dat is weer voor iedereen en voor elke omloop anders. Terwijl de kaart universeel hoort te zijn, niet voor een specifieke post, route, of persoon.
Is het een goed uitgangspunt dat je tekent wat er op de (schaal van de) kaart past, en er ook nog een beetje overzichtelijk uit ziet?
Het meeste moeite had ik duidelijk me:
- kleur van bos (wit – lichtgroen – middelgroen – donkergroen)
- wel of geen onderbegroeiing (en zelfs daar zijn twee dichtheden voor)
- ruw-open met bomen, of wit bos danwel ruw open met wat minder dichte onderbegroeiing; het lijkt allemaal in elkaar over te lopen
- ruw open (lichtgeel) of grasland (geel)
- ter plaatse is heide en gras duidelijk te onderscheiden; maar beide zijn op de kaart ruw open; ik zou er desalniettemin een stippellijntje als cultuurgrens tussen kunnen tekenen
Opvallend is trouwens dat “open met verspreide bomen” wit is met gele stippen, terwijl “ruw-open met verspreide bomen” dan weer licht-geel is met witte stippen; is dat logisch? De details kan je in de IOF specificatie vinden.
Waarbij soms het jaargetijde ook een rol speelt. En hoe meer detail, hoe sneller de kaart veroudert. Als beginnend baanlegger ga je toch op zoek naar criteria , zoals:
- een minimale grootte van oppervlakjes met afwijkend terreinkenmerk (16 mm2 lees ik)
- alleen stukken met herkenbare overgangen (cultuurgrenzen)
- gewoon één kleur per perceel?
- kleur van bos alleen voor beloopbaarheid, niet voor oriëntatie gebruiken?
- en anders alleen aangeven als je er ook een stippellijn (voor cultuurgrens) omheen kan tekenen?
- is een criterium dat al wat je tekent ook voor het plaatsen van een post te gebruiken is, en anders niet getekend moet worden?
Op een 1:5000 uitdraai van de kaart om onderweg op te tekenen kan je veel meer kwijt dan praktischer wijze op een schaal 1:10000 leesbaar is. Maar ik ben toch geneigd alles wat te zien is op de kaart te tekenen. Daar moet ik nog een balans in vinden. Te veel tekenen maakt de kaart onleesbaar; te weinig levert minder plekken voor posten op, die immers alleen bij herkenbare plaatsen op de kaart gezet mogen worden. Meer ervaring helpt hier een evenwichtige keuze te maken.
Ten slotte bedenk ik dat ik eigenlijk al het water in had gemoeten om te peilen hoe diep het was, en of je er door kon. En niet voor niets…
Banen leggen
Na het bijwerken van de kaart kwam het uitzetten van de routes. Of eigenlijk begon dat al eerder, want tijdens het veldwerk ben ik al menig mooi puntje voor een postzak tegengekomen. Mooie plekken, unieke plekken, plekken om bijzondere stukjes van het terrein te laten zien, en herkenbare -maar op het eerste gezicht onvindbare- plekken. Toen ik er ruim honderd had leek dat wel voldoende. Meer dan. Hoewel later zou blijken dat ik toch nog wat extra plekjes nodig had, om benen te leggen die evenwichtige routekeuzes afdwongen. Baanleggen en terrein verkennen was dus een iteratief proces.
Daar komt bij dat de Grote Heide eigenlijk best een groot terrein terrein is, en dan hebben we het alleen nog maar over de Grote Heide Zuid. Alleen de langste omloop kon het van boven tot onder omvatten. Helaas paste niet het gehele gebied op één A4-tje, zodat we het Veeven in het noorden hebben moeten weglaten in de routes, al was dat zo mooi. (Ik pleit bij deze voor de aanschaf van een mobiele A3 printer, zodat ook van grotere gebieden op de dag van de wedstrijd ter plekke kaarten bij-geprint kunnen worden.)
Het gebied is groot, maar
toch waren er zones die ik moest vermijden. Er lagen een aantal pas-ingezaaide akkers, privé terreinen, weides met paarden, en een kampeergebied van de lokale scouting. Magenta arceren is natuurlijk een optie, maar je moet de lopers ook niet uitdagen: de banen moesten er dus ruim omheen, of júíst tussendoor geleid worden, want de rand van een akker is al gauw sneller dan het omringende bos te belopen.
Ondanks alle randvoorwaarden vind ik dat ik er in geslaagd ben een aantal leuke en bijzondere benen te tekenen. En die weer met even interessante benen -qua routekeuzes- te verbinden.


Het streven om het afwisselend te houden, in lengte van de opeenvolgende benen, in terrein, in moeilijkheidsgraad, en in koers, maakte het een hele puzzel. En met één omloop was ik er niet: er moesten er 7 komen, rekening houdend met de eisen voor lengte en moeilijkheidsgraad van de verschillende omlopen. Ik schat dat de eerste omloop me 3 uur kostte om te ontwerpen, en de daaropvolgende telkens ongeveer een uur. Kan sneller, maar dan is meer ervaring vereist.



Ten slotte heb ik de te belopen delen van de kaart extra gecheckt. Dáár moest de kaart gewoon exact kloppen. Paden, kleur bos, onderbegroeiing, etc. Maar met alle routekeuzevrijheid was de te belopen zône nogal breed, en ik zal niet de enige zijn die ooit verdwaald is en daar door op stukken van de kaart kwam waar geen baanlegger ooit op gerekend had. Het gebied buiten de banen moet dus ook een beetje kloppen (of helemaal weggelaten worden, want iets dat er wel op de kaart maar niet is is het echt, is erger dan iets dat niet getekend is).
Analyse
Kijkend naar de splits (op Splitsbrowser pagina; kies voor de weergave van Percent behind) vallen een aantal benen op, waar, gezien de spreiding op de relatieve tijden, nogal verschillende routekeuzes zijn gemaakt. Dat zijn de benen die geslaagd zijn, qua legging. Want een been 7→8 in omloop 2, of 11→12 in omloop 3 (plaatje hier onder), dat is niet waar de lopers zich op onderscheiden.
Juist de benen waar veel verschil in relatieve tijd ziet (behalve dan de hele korte stukjes waarop een klein absoluut verschil relatief hard meetelt), die zijn gelukt.
Ik ben heel benieuwd hoeveel lopers bij omlopen 1, 2 en 5 door het ven zijn gelopen in het westen van de kaart, net boven het fietsviaduct. In omloop 1 zijn er mensen die er meer dan 4 keer zo lang over deden van post 18 naar 19. Ik denk dat de snelsten door het water zijn gegaan. Hoewel dat zo’n groot verschil ook weer niet echt kan verklaren.
Conclusie
Ik moet zeker ook Peter bedanken voor alle hulp en opmerkingen bij het ontwerpen van de banen. Mijn eerste poging heeft gelukkig bijna niemand gezien, maar ik kreeg het al snel redelijk door. Al valt er nog veel te leren. En van Adrie heb ik nog van alles geleerd over het tekenen van de kaart. Ik zal zeker nog een paar keer met hem, Peter of anderen mee moeten gaan om het echt in de vingers te krijgen. En ook het leggen van banen zou ik niet durven zonder dat iemand ze goed checkt. Maar ik heb al heel veel geleerd, al zeg ik het zelf.
Een volgende keer dat ik een kaart teken trek ik er meer tijd voor uit. Het is gewoon heel veel werk. Er moeten slimmere manieren zijn dan alles twee keer vastleggen: eerst op papier of calque, en dan digitaal. Zou een tablet (met daar op Momap, of een toekomstige port van OpenOrienteeringMapper naar Android, of een aangepaste OpenStreetmap editor) werken? Of rondrennen met een camera op mijn hoofd en achteraf thuis pas tekenen? Of kan je handiger meten, met een GPS en een DGPS ontvanger bijvoorbeeld, of een laser-afstandsmeter. Er zijn meer mensen die hier over piekeren. De apparaten bestaan, maar wat kost het? Het aanbod op Marktplaats is nog wat karig.
En een volgende keer dat ik een baan leg maak ik meer tijd vrij om na afloop met de lopers te evalueren, te vragen wat ze nou precies leuk vonden, wat saaie benen waren, en welke keuzes ze hebben gemaakt. En of ze me doorzien hebben. Ik ben heel benieuwd, en daarom nodig ik jou, lezer, van harte uit jouw commentaar en opbouwende kritiek hier onder toe te voegen.







De weg van 5 naar 6 was simpel. Hekje onderweg, evenwichtige route-alternatieven, en een post op een hoek van een gebouwtje, een grijs vlakje op de kaart. Maar het hele gebouw stond er niet! Ik had beter kunnen weten, want op de kaart stond het hooguit een paar meter van het hek, nog vóór het pad, en in het echt stond daar helemaal geen gebouw.
Volgende foutje. Zeg maar FOUT! Van 20 naar 21. In eerste instantie liep ik er vrijwel recht op af, maar vlak bij de post had ik mijn kaart gevouwen, en meende over het westelijke been aan te komen lopen, naar 22. Dus toen ik de postzak van 21 zag staan keerde ik om, en ging naar 22 zoeken, verder naar het westen, via de weg aan de noordkant van het bos. 22 vond ik eerst niet, en als zoekend kwam ik weer terug bij 21 uit, vanwaaruit iemand anders naar de juiste 22 liep. En toen zag ik hem ook staan. Maar bij het ‘stempelen’ kwam ik er achter dat het nummer niet klopte, en pas toen besefte ik dat ik 21 had overgeslagen. Terug naar 21, voor de 3e keer, weer naar 22, ook voor de derde keer, en eindelijk door naar 23. Ik had me bijna 3 minuten zoeken kunnen besparen door iets geconcentreerder te zijn en iets vaker op de kaart te kijken. Scherp blijven!
En ten slotte is er die post 31, waar we met 3 man vanuit de verkeerde richting aan kwamen lopen, en eindeloos hebben lopen zoeken, hoewel we in eerste instantie vlak bij de post stonden. Hoe dit kon gebeuren? Geen idee, maar in een sprint omgeving lijken een paar mm op de kaart als gauw heel weinig, en is het verleidelijk gewoon even om je heen te kijken en te zoeken als je de post niet direct ziet staan terwijl je toch zeker weet vlak in de buurt te zijn. Maar al snel wordt dat toch iets langer zoeken, en kan je beter even goed op de kaart kijken. Zo gezegd, zo gedaan, en tot de gezamenlijk conclusie gekomen dat de post dichter bij het talud naast het rugbyveld stond dan bij het zuidoostelijker gelegen pad. Ook daar gaan zoeken, zonder succes, en uiteindelijk vond een van de drie de vlag, in een kuil, aan het eind van een smal paadje tussen de struiken, dat eigenlijk alleen vanuit het zuidoosten te zien was. Waren we vanuit die richting aan komen lopen (wat ook een reeële routekeuze vanaf 30 was geweest), dan had dat ook weer 2:40 gescheeld. Ook een kwestie van concentratie, en als het er op aan komt iets beter op de kaart te kijken. Moet te doen zijn.
En zo vond ik post 1 dan ook redelijk fluitend, hoewel hij best lastig was geplaatst. Maar bij 2 ging het ineens behoorlijk mis. Gewoon door niet goed op de kaart te kijken. Ik zag een strook gras richting post op de kaart, maar oriënteerde alleen grof, en zag dat post 2 op een open plek stond, ergens aan het end van de strook gras. Zonder nog een keer op de kaart te kijken, lag er in mijn hoofd een open plek in het verlengde van de strook gras; en in het echt lag die er ook, helaas. Maar daar was geen post. Ook niet op de kaart. Ik had de kans dat ik hem wel zou zien, en dat ik goed op de kaart had gekeken, te hoog ingeschat.
Van 5 naar 6, lijkt op de kaart eenvoudig. Vanuit het open veld (hobbelige heide: snel wegwezen) het open bos in, reliëf zoeken, en de post in de kuil achter de bult. Het bos bleek dichter begroeid, en alles was reliëf, dus de bult, noch de kuil, vielen direct op. Toch was dit geen onverantwoord risico.
alle alarmbellen af gaan. Zeker als die volgens de postomschrijving niet op een top maar in een inloper staat. Maar ik dacht hem wel even te gaan vinden, en heb 5 minuten lopen zoeken, voordat ik door had dat ik nog 50 meter verder moest zijn. Had ik makkelijk kunnen voorkomen.
Van 13 naar 14: Leek eenvoudig, maar zo’n lang stuk doorsteken in bos dat toch best dicht begroeid is (en niet zo wit als op de kaart) vraagt om narigheid, zeker als mijn geplande stoplijn een iets-dichter-bos is, lichtgroen op de kaart, maar zonder de stippellijn van de ‘herkenbare cultuurgrens’. En met het slechte zicht is reliëf niet zo’n eenvoudige leidraad. 20 meter voor de post herkende ik mijn inschattingsfout, koos eieren voor mijn geld, en zocht een herkenbaar punt op: het pad ten noorden. Om te refereren, rende ik naar de kruising ten oosten, zuidelijk naar het zijpad, en van daar uit, recht op de post af. Vond hem via een flinke omweg. Had ik meteen voor een herkenbaarder route gekozen, dan had me dat fors gescheeld. Achteraf.

Zo bijvoorbeeld op de route van 1 naar 2. Ik heb vast de kortste gelopen, maar dat donkergroene bos wat niet supersnel, en dat eerste stukje over het gras (geel, rechtsboven) was vast ook sneller dan mijn keuze. En misschien was dat paadje aan de linkerkant van het groen ook zo gek nog niet, omdat het vrij direct op de post uit lijkt te komen. Maar goed, ik was hier maar 20% langzamer dan de snelste.
Nee, neem dan mijn ‘bijzondere’ route van 3 naar 4 (waar ik wel 85% langer over deed dan de snelste): de keuze was niet slecht, maar er gebeurde iets geks: ik was nog niet bij de post, of ik begon te twijfelen aan de afstand. Terwijl dat grasveld net westelijk van 4, toch herkenbaar zou moeten zijn geweest. En de open plek, oostelijk van het pad ook. En waar blijft het passen tellen? Ik denk dat het daar mis ging, en ik, door het vertragende effect van het stukje doorsteken net nadat ik de weg was overgestoken na 3, minder afstand had afgelegd dan ik dacht. Slordig. Maar er zouden nog meer slordigheidjes volgen…



9 vond ik trouwens ook wel lastig. Er was in dit deel van het bos behoorlijk gekapt. Daarvan weet je nooit of het op de kaart staat of niet. Vooral paden die door rooimachines zijn gemaakt zijn dan verraderlijk. Ik had het gevoel op zo’n pad te zijn geraakt, en te veel naar westen te zijn gelopen. Dus ging ik, toen ik op het pad bij post 9 uit kwam, naar het westen, op zoek naar het juiste reliëf. Dat kwam niet, maar wel een kruising, waardoor ik wist te ver naar het oosten te zitten. Terug naar het westen dus maar. Kennelijk, omdat veel daar sneller waren, was dit nogal een grove fout, en was er een veel zekerder manier om van 8 naar 9 te lopen.

12 had ik wat slimmer kunnen belopen, denk ik. 65% langer over gedaan, vanwege wat gedrentel rond de post. Beter was doorsteken door het witte bos, direct na 11, en dan het pad volgen. Typisch geval van op de kaart eerst een route zoeken die vanaf 11 aardig de goede kant op leidt, maar niet een die gunstig voor 12 uitkomt. Misschien is het wel het beste om terug te redeneren: hoe kom ik waar ik moet zijn, en hoe kom ik daar waar ik makkelijk gaan gaan naar waar ik moet zijn. Kortom, eerst een aanvalspunt kiezen, en dan de snelste route


















Nee, ik was er niet helemaal bij. Ik liep naar 6, beetje om, maar laten we het maar op “een veilige aanvalspunt keuze” houden. Dacht toen dat ik bij 7 liep (een stuk noordelijker), met al die parallelle greppels, en daar vond ik, iets ten zuiden van het pad, een post. Dat bleek er eentje van de achterkant van de kaart te zijn, maar, zonder het nummer te checken, ging ik vrolijk, en een klein beetje gehaast, op weg naar het zuiden, naar waar ik meende 6 te gaan vinden. Dat 6 voor 7 kwam vergat ik gemakshalve. Ik weet zeker dat ik de kaart niet ondersteboven hield, maar de tafel van 1 kennelijk wel. Even later vond ik een open plek, daar in het zuiden. “Ben ik al zo ver? Dan ben ik 6 al voorbij!” In het minder begaanbare terrein, en vanwege een nogal afwijkende koers, was mijn gevoel voor afstand wat ontregeld. (1:4500 is ook zooooo’n moeilijke schaal.)
Met deze kerstgedachte in mijn hoofd nam mijn oriëntatievermogen weer eens met mij de vrije loop. Toen ik bij A aankwam (in het kaartje links) dacht ik het iets zuidelijker pad te bewandelen. Dat dat ineens op leek te houden deerde niet, ik vond een kruispunt (wat C bleek te zijn, maar ik voor B aan zag) en sloeg rechtsaf. “Zo’n kompasnaald is ook maar van ijzer”, moet ik gedacht hebben, en ik rende vrolijk een meter of honderd door, tot hij wel erg hardnekkig de andere kant op bleef wijzen. Het mag een wonder heten dat ik 8 vond. 9 liep ik vervolgens maar 10% voorbij, wat aardig klopt met de kaartschaal 1:4500 die ik telkens als 1:5000 las.
Ik vond dat donkergroene stukje bos waar ik omheen moest iets minder leuk, maar herinnerde me kennelijk niet dat ik daar een half uur geleden al dwars doorheen was gelopen; toen meende ik immers veel noordelijker op de kaart te lopen. Op zoek dus naar 7, dezelfde zeven die ik eerder ook al voor een 7 -een andere- had aangezien. Vond ik hem warempel! En 8, die had ik ook al eerder ontmoet. Waarna ik gelukkig de supermarkt meed, op weg naar een nummer 9, die, hoe kan het ook anders, ook al eerder mijn pad had gekruist.
nu liep ik maar voor de afwisseling via de noordkant naar mijn zuidelijke bestemming. Je moet wel consequent blijven!
Maar kennelijk had ik mijn fout op tijd door, want -zo werkt dat bij mij, zoals je weet- ben ik vanaf dat moment voor straf alleen nog maar gaan doorsteken, op weg naar de finish. Die ik overigens, zonder verdere omwegen vond, maar uiteraard, en volgens de
I created something similar before, but I simplified the code a bit, and the result is still exciting. I put some JavaScrtipting in my weblog, to overlay maps with each other. The result you can see on
Het was weer een avontuur! De Chicken Power Midwinterrun 2013. Nauwelijks wetende wat ons te wachten stond, maar wel met temperaturen onder nul, een gure wind en sneeuwbuien in het vooruitzicht, vertrokken we om 5:59 uit Eindhoven. Samen met mijn loopmaat voor vandaag, Jeroen, en concurrent Patrick, reden we door een donkere, maar witte, wereld, naar Terschuur, een dorpje tussen Barneveld en Amersfoort. Min zes C buiten de auto, zenuwen binnen. Toch wel. Ondanks dat ik ruim een maand geleden nog aan 



























De vraag blijft welke lolbroek in het Nederlands “zuidpool” met een Z heeft geschreven, terwijl zowel vanuit het Oosten als het Westen de Z een N is.
Niet veel later zou ik van 23 via 16 naar 24 rennen. Ook al zo iets!
7’50″/km in vogelvlucht liep. Allemaal dankzij die extra meters.
Vraag 1: Hoe snel is zand?
zelfde kleur als op de kaart, wat meer op modder dan op zand lijkt. En vanuit dat perspectief ziet wit bos er heel aantrekkelijk uit. Vergis je niet in de vleeskleurige zones: dat is heide. Ongeveer een halve meter hoog, en helemaal geen doorkomen aan. Maar goed, was het wel zo dat het zand sneller liep dan het bos? Ik ga het meten.
Toen hij afsloeg keek ik even om, en een fractie later lag ik plat op het asfalt. Met kapotte knieën en handen.
Niet dat het een korte omloop was (11.6 km over mijn track), maar ik houd het hier even kort. Ik heb wat achterstand met schrijven, en daarom niet te veel tijd. Maar ik ga er van uit dat het direct na de race makkelijker typt dan drie weken later, dus netto is dat winst!
Het lange been naar 24 was goed om even op adem te komen op een lang recht stuk, waar het er hard aan toe ging. Maar toch, het was op adem komen zonder al te veel interrupties. Bij 24 kwam ik Frank Buytaert tegen, die behoorlijk wat snelheid had. Ik was benieuwd of hij vooral snel liep of goed oriënteerde, aangezien ik hem altijd hoog in de uitslagen zie staan. Dus leek het me aardig een tijdje te proberen hem bij te houden. Hij bleek inderdaad behoorlijk snel te lopen, zeker in het ruwe terrein. En hij oriënteert ook nog eens snel, dus makkelijk te verslaan was hij niet, en dat zal nog wel even zo blijven.